Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08-7234 WAZ + 08-7235 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ongewijzigde vaststelling WAZ-uitkering (55 tot 65%). Geen reden om de zienswijze van de bezwaarverzekeringsartsen voor onjuist te houden. Geen twijfel aan de toepasselijkheid van de FML. Geen urenbeperking. Geen medisch deskundige. De Raad is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn op grond waarvan eraan moet worden getwijfeld dat de belasting in de appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7234 WAZ

08/7235 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2008, 08/27 en 08/1673 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en een stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 november 2006 is appellantes uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke uitkering werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 8 januari 2007 door het Uwv ingetrokken op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op minder dan 25% moet worden gesteld. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Appellante wordt in staat geacht de maatgevende arbeid van zelfstandig cafetariahoudster te verrichten. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit 28 november 2007 ongegrond verklaard, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek. Tegen het besluit van 28 november 2007 (bestreden besluit 1) heeft appellante beroep ingesteld. Bij een ander besluit van 28 november 2007 heeft het Uwv op grond van het zogenoemde nieuwe kabinetsbesluit de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 februari 2007 op minder dan 25% gesteld en beslist dat de WAZ-uitkering ingetrokken blijft. Dit besluit is eveneens genomen na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Appellante wordt ook thans geschikt geacht voor de maatgevende arbeid. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit van 28 november 2007 is bij besluit van 26 mei 2008 gegrond verklaard. Daarbij is voorts beslist dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 februari 2007 dient te worden gesteld op 55 tot 65%. Dit besluit berust eveneens op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Appellante wordt geschikt geacht voor het verrichten van aan haar voorgehouden voorbeeldfuncties. Tegen dit besluit (bestreden besluit 2) heeft appellante eveneens beroep ingesteld. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv bij besluit van eveneens 26 mei 2008, beslist dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 8 januari 2007 ongewijzigd vastgesteld dient te worden op 55 tot 65% (bestreden besluit 3). In het kader van de besluitvorming die tot dit besluit heeft geleid wordt appellante geschikt geacht voor het verrichten van aan haar voorgehouden voorbeeldfuncties.

2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij, gelet op haar whiplashklachten, zowel per 8 januari 2007 als per 22 februari 2007 verdergaand beperkt is dan door het Uwv aangenomen. Volgens haar heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met de informatie uit de behandelend sector, te weten de informatie van Revalidatiecentrum De Hoogstraat van 19 september 2007 en 19 maart 2008, het diagnoseverslag van Pluswerk van 20 januari 2007 en de brief van de fysiotherapeut van 15 oktober 2007. Appellante is naar haar mening ten onrechte niet door een psychiater of psycholoog onderzocht. Zij stelt beperkt te zijn ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts is zonder nadere toelichting de urenbeperking vervallen, terwijl de medische toestand van appellante niet is gewijzigd.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit 3. Zij heeft voorts bij de aangevallen uitspraak de beroepen ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld over de verzekeringsgeneeskundige kant van de bestreden besluitvorming.

3.1.1. De rechtbank is met betrekking tot de medische grondslag van de bestreden besluiten 1 en 3 appellante niet gevolgd in de stelling dat het Uwv appellantes beperkingen heeft onderschat. De rechtbank is evenmin gebleken dat het medisch onderzoek niet voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid dan wel dat dit onderzoek onvoldoende inzichtelijk is. Daartoe heeft zij overwogen dat ter voorbereiding van deze bestreden besluiten de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy in zijn rapport van

18 oktober 2007 - op basis van dossierstudie, aanwezigheid bij de hoorzitting op 18 oktober 2007 en aansluitend verricht lichamelijk onderzoek - het oordeel van verzekeringsarts L.Th. Schonagen heeft heroverwogen en (grotendeels) heeft bevestigd. Daarbij heeft die bezwaarverzekeringsarts alle relevante medische gegevens betrokken, waaronder de informatie van de behandelend sector. In zijn rapport van 13 februari 2008 heeft Hovy gereageerd op het beroepschrift van appellante. De rechtbank is van oordeel dat Hovy voldoende heeft toegelicht dat de door appellante geclaimde klachten niet leiden tot het aannemen van zwaardere beperkingen dan zijn vastgesteld door de primaire verzekeringsarts. Gelet op de ziektegeschiedenis, de informatie van de behandelend sector en het eigen onderzoek, bestaat er naar de mening van Hovy geen aanleiding voor het verrichten van nader onderzoek door een psycholoog of psychiater. Bij appellante acht hij evenmin aanwijzingen aanwezig voor een ernstige cognitieve stoornis als gevolg waarvan zij in het persoonlijk functioneren beperkt zou moeten worden geacht. Volgens Hovy zijn er voorts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 oktober 2007 terecht geen beperkingen aangenomen op de items 4.17 en 5.8. Bij lichamelijk onderzoek was de nekfunctie van appellante steeds niet beperkt. Wel stelde hij actief spierverzet vast bij appellante, wat wijst op een somatopsychische/psychische reactie.

3.1.2. Oordelend over de verzekeringsgeneeskundige grondslag van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans in zijn rapport van 21 april 2008 - op basis van dossierstudie en aanwezigheid bij de hoorzitting op 15 april 2008 - heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante, ook met kennisneming van de informatie van De Hoogstraat van 19 maart 2008, ongewijzigd blijft. Er hebben zich naar de mening van Hofmans sinds februari 2005, ten tijde waarvan een verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft plaatsgevonden, geen substantiƫle wijzigingen voorgedaan in de medische situatie van appellante. De informatie van De Hoogstraat van 19 maart 2008 bevat naar zijn mening geen nieuwe gegevens, maar is een weergave van de door appellante ervaren klachten en beperkingen.

3.2. De rechtbank heeft geen reden gezien de zienswijze van de genoemde bezwaarverzekeringsartsen voor onjuist te houden. Zij zag evenmin aanleiding voor twijfel aan de toepasselijkheid van de FML van 18 oktober 2007. De rechtbank had verder geen aanwijzingen dat voor appellante op medische gronden een urenbeperking aangewezen was. Ten slotte zag de rechtbank geen aanleiding voor het benoemen van een medisch deskundige.

3.3. Ook de arbeidskundige kant van de bestreden besluiten kon de toetsing van de rechtbank doorstaan.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. In de hoger beroepsgronden vecht appellante uitsluitend de aangevallen uitspraak aan voor zover de rechtbank van oordeel is dat de medische grondslag van de in geding zijnde besluitvorming deugdelijk is. Daarbij stelt zij als meest ver strekkende grond dat de door de verzekeringsartsen tot uitgangspunt genomen normaalwaarden niet kloppen met de werkelijkheid. De Raad overweegt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene bepaald wordt met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Het CBBS kent een systematiek waarbij aanwezigheid en mate van arbeidsbeperkingen in beginsel worden bepaald door middel van een vergelijking met normaalwaarden als referentiekader. De normaalwaarden zijn vastgesteld aan de hand van hetgeen de gezonde beroepsbevolking van 16 tot 65 jaar in het normale dagelijks leven nog - minimaal - aan activiteiten kan verrichten. Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 5 december 2008, LJN BG5758, heeft de Raad geen reden om de hoogte van de normaalwaarden, in het licht van het uitgangspunt dat deze zijn gerelateerd aan de hand van wat de gezonde beroepsbevolking van 15 tot 65 jaar aan mogelijkheden heeft, onjuist te achten. De hier besproken grond slaagt dan ook niet.

4.2. Verder volgt de Raad de rechtbank in hetgeen zij heeft beslist over de medische grondslag van de in geding zijnde besluitvorming. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank als samengevat in 3.1 en met 3.2. In hoger beroep heeft appellante een brief van 27 april 2009 van de neuroloog S. van Beek in het geding gebracht. Deze neuroloog vermeldt dat appellante heeft meegedeeld objectivering van haar klachten te wensen en van daaruit behandeling te willen. Hij heeft haar moeten teleurstellen. Hij komt tot de conclusie dat appellante persisterende vertebromyogene pijnklachten heeft bij status na whiplashtrauma en dat er geen onderliggende neurologische pathologie is. De Raad ziet in deze brief geen steun voor appellantes standpunt dat er bij haar meer beperkingen voor het verrichten van arbeid aanwezig zijn dan het Uwv heeft aangenomen.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn op grond waarvan eraan moet worden getwijfeld dat de belasting in de appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid te boven gaat.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) I.R.A. van Raaij

IvR