Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
09-1393 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad constateert dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van de voor appellante aangenomen beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in die rapportage naar het oordeel van de Raad afdoende gereageerd op de bevindingen van de behandelend psychiater Kosutic en ook op de informatie van de huisarts van appellante. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante op 6 november 2006 en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het arbeidsvermogen van appellante niet onjuist heeft ingeschat. Naar het oordeel van de Raad zijn in de gedingstukken voorts voldoende gegevens aanwezig op basis waarvan tot een verantwoord oordeel kan worden gekomen. Aan het verzoek van appellante om alsnog advies in te winnen bij een deskundige/psychiater zal de Raad derhalve niet voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1393 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 januari 2009, 08/839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 september 2009 heeft appellante de Raad een brief van dezelfde datum van haar psychiater Z. Kosutic toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009 waar namens appellante is verschenen mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sedert 1992 wegens psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en per 11 mei 1996 van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 5 september 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 6 november 2006 ingetrokken. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 november 2006 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 oktober 2007, 06/2642, het namens appellante daartegen ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 november 2006 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak berust op de overweging dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen van de behandelende sector, in het bijzonder ontbrak recente informatie van de Geestelijke Gezondheidszorg Flevo-Veluwe de Meerkanten waarheen appellante door haar huisarts met urgentie was doorverwezen.

1.4. Het Uwv heeft aan deze uitspraak uitvoering gegeven bij zijn besluit van 15 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van appellante andermaal ongegrond is verklaard.

2. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de uitspraak van 1 oktober 2007 informatie heeft opgevraagd bij de huisarts L.S.M. ter Horst en bij de behandelend psychiater Z. Kosutic. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens in zijn rapportage van 13 februari 2008 aangegeven geen aanleiding te zien de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 juni 2006 te herzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat de informatie van de huisarts en de psychiater geen aanknopingspunten biedt de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en voorts dat een urenbeperking niet nodig is.

Wat de aan appellante voorgehouden functies betreft heeft de rechtbank overwogen dat deze passen binnen de belastbaarheid van appellante zoals die blijkt uit de opgestelde FML en dat voorkomende zogeheten signaleringen afdoende zijn gemotiveerd in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 augustus 2006. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van appellante ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten en heeft in dit verband gesteld dat haar huisarts haar in april 2006 met urgentie heeft verwezen naar de Meerkanten. In zijn brief van 7 februari 2008 heeft de psychiater Kosutic aangegeven dat appellante in april 2006 door haar huisarts werd doorverwezen naar Meerkanten in verband met een toename van depressieve klachten waardoor zij niet in staat was adequaat te zorgen voor haar grote gezin. Naar de mening van appellante kan het bestreden besluit gelet op het vorenstaande niet in stand blijven. Appellante heeft de Raad tevens verzocht een psychiater als deskundige te laten rapporteren.

3.2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat met de klachten van appellante voldoende rekening is gehouden en dat er geen reden bestaat de reeds bij het primaire besluit van 5 september 2006 vastgestelde belastbaarheid van appellante te wijzigen.

4.1. De Raad constateert dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van de voor appellante aangenomen beperkingen. Ook de nader overgelegde brief van psychiater Kosutic van 14 september 2009 heeft de Raad niet tot een ander standpunt gebracht. Deze brief van de psychiater, waaruit blijkt dat hij appellante sedert oktober 2006 en derhalve niet reeds sedert april 2006 onder behandeling heeft, wijkt op de hier van belang zijnde punten niet in relevante mate af van zijn eerdere brief van 7 februari 2008. Geconstateerd moet worden dat de psychiater in zijn brieven van 7 februari 2008 en 14 september 2009 geen duidelijke diagnose stelt ten aanzien van appellante in relatie tot 6 november 2006, de datum in geding. In dit verband wijst de Raad er op dat blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 februari 2008 appellante vóór haar verwijzing

naar Meerkant in april 2006 al jaren niet meer onder behandeling van een psychiater stond. De bezwaarverzekeringsarts heeft in die rapportage naar het oordeel van de Raad afdoende gereageerd op de bevindingen van de behandelend psychiater Kosutic en ook op de informatie van de huisarts van appellante. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op de volgende, aan de rapportage van 13 februari 2008 (waarin appellante wordt aangeduid als verzekerde) ontleende passage:

“Met de nu beschikbaar gekomen gegevens vind ik geen aanknopingspunten dat bij verzekerde medio 2006 sprake was van een dusdanige verandering in de medische situatie dat een urgente verwijzing noodzakelijk was. Er was geen medische crisissituatie en daarnaast was geen sprake van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld waarvoor extra medicatie, een interventie of opname noodzakelijk was. De opgevraagde informatie levert op dat m.n. de gezinsproblematiek, wat al jaren speelde, de aanleiding was voor een verwijzing. Ik zie e.e.a. toch als een niet-medische aangelegenheid wat zeker geen aanknopingspunten biedt de belastbaarheid zoals die per geding (6-11-2006) geldt te wijzigen. De verwijzing naar Meerkanten was niet nieuw want in de vragenlijst van 12-5-2006 gaf verzekerde al te kennen dat zij in juni voor een intake zou moeten komen en ook de primaire verzekeringsarts A.A.W. Haver heeft hier in het rapport van 22-5-2006 al notitie van gemaakt. De later ontvangen informatie van de huisarts bevestigt de psycho-sociale problematiek maar bevestigt ook het beeld dat tijdens eigen onderzoek door de verzekeringsarts werd verkregen (..)”

4.2. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante op 6 november 2006 en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het arbeidsvermogen van appellante niet onjuist heeft ingeschat.

4.3. Naar het oordeel van de Raad zijn in de gedingstukken voorts voldoende gegevens aanwezig op basis waarvan tot een verantwoord oordeel kan worden gekomen. Aan het verzoek van appellante om alsnog advies in te winnen bij een deskundige/psychiater zal de Raad derhalve niet voldoen.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK