Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
06/4503 WSF + 06/5709 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft reeds in zijn uitspraak in de zaak Föster overwogen dat de IB-Groep geen onjuiste invulling heeft gegeven van het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. Betrokkene voldoet niet aan het in deze beleidsregel opgenomen 32-uurs-criterium. Voor afwijking van het beleid behoefde de IB-Groep naar het oordeel van de Raad in het geval van betrokkene geen aanleiding te zien. Bijzondere omstandigheden die tot zo’n afwijking nopen of aanleiding geven, acht de Raad niet aanwezig. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de IB-Groep dit criterium niet aan betrokkene zou mogen tegenwerpen. Dit betekent dat het eerdere toekenningsbesluit over 2002 onjuist was en dat de IB-Groep bevoegd was dit te herzien. De herziening is bij het besluit van 15 juli 2004 terecht gehandhaafd. Het in artikel 12 EG neergelegde discriminatieverbod staat niet in de weg aan het stellen als voorwaarde van vijf jaar legaal verblijf zoals verwoord in de beleidsregel, voor zover het gaat om de toekenning van steun aan studenten ter dekking van de kosten van levensonderhoud. Vast staat dat betrokkene in de controleperiode niet voldeed aan die voorwaarde. Verder is naar het oordeel van de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de IB-Groep van de Beleidsregel van 9 mei 2005 zou hebben dienen of behoren af te wijken. De Raad heeft in dit verband vooral van betekenis geacht dat niet is gebleken dat betrokkene al een reële en wederkerige band met de Nederlandse samenleving had voordat zij eind 2001 naar Nederland kwam om te studeren. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. De vordering is daarom terecht opgelegd en ook in zoverre is het bij het besluit van 15 juli 2004 gehandhaafde herzieningsbesluit juist. Vernietiging besluit. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4503 WSF en 06/5709 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 juni 2006, 04/1202 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.T.W. Verhaagh, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Op 29 september 2006 heeft appellante een besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

In een aantal bij de Raad aanhangige hoger beroepszaken, waaronder de onderhavige zaak, is de vraag gerezen of betrokkenen als burger van de Europese Unie (EU) recht hebben op volledige studiefinanciering naar Nederlands recht in verband met het verbod op discriminatie naar nationaliteit dat is neergelegd in artikel 12, eerste alinea, EG.

Op 16 maart 2007 heeft de Raad in de zaak Förster, 05/6182 WSF, LJN BA1063, ter zake prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 18 november 2008, C-158/07, LJN BG7319.

Partijen hebben gebruik gemaakt van de door de Raad geboden gelegenheid op dit arrest te reageren.

De Raad heeft op 29 juni 2009 uitspraak gedaan in de zaak Förster, 05/6182 WSF,

LJN BJ1015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft de Duitse nationaliteit. Zij is met de intentie te gaan studeren eind 2001 naar Nederland gekomen. Zij heeft appellante verzocht om toekenning van studiefinanciering met ingang van februari 2002 voor haar studie Psychologie aan de Universiteit Maastricht. Bij haar aanvraag heeft zij een kopie meegezonden van een brief van Randstad Callflex van 13 december 2001 waarin is aangegeven dat zij sinds 6 december 2001 als uitzendkracht via Randstad gemiddeld 15 uur of meer per week werkt. In april 2002 is zij met dit werk gestopt, omdat de opdrachtgever het contract met Randstad had opgezegd.

1.2. Appellante heeft aan betrokkene op grond van de veronderstelling dat zij aan te merken zou zijn als werknemer in de zin van artikel 39 EG (hierna ook: communautair werknemer) overeenkomstig de aanvraag studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs. Van deze beurs maakt een OV-studentenkaart deel uit.

1.3. Nadat appellante bij een in 2004 uitgevoerde controle is gebleken dat betrokkene in de maanden april tot en met december 2002 niet minimaal 32 uren per maand heeft gewerkt, is de eerdere toekenning van studiefinanciering aan betrokkene over deze maanden bij besluiten van 28 mei 2004 door appellante herzien, in die zin dat deze eerdere toekenning over deze maanden volledig ongedaan is gemaakt. Daarbij is € 1.899,81 aan uitbetaalde studiefinanciering teruggevorderd. Verder is ten laste van betrokkene een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 1.224,-.

2. Het bezwaarschrift dat betrokkene hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 15 juli 2004 onder verwijzing naar de artikelen 48 EG, artikel 7, tweede lid, van de EG-Verordening 1612/68, de artikelen 2.2, 3.27, eerste lid, 7.1, tweede lid, onder c, en 7.4 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en het door appellante gevoerde beleid ongegrond verklaard. Aangegeven is daarbij dat appellante studerende niet-Nederlandse EU-onderdanen aanmerkt als communautair werknemer indien en zolang zij ten minste 32 uren per maand werken en dat in het onderhavige geval gebleken is dat betrokkene in de in dat besluit genoemde maanden van 2003 niet (voldoende) heeft gewerkt, zodat over die maanden geen recht op studiefinanciering bestond.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 15 juli 2004 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft haar oordeel doen steunen op de overweging dat het feit dat betrokkene in de maand april 2002 weinig heeft gewerkt niet betekent dat zij in die maand geen communautair werknemer – meer – was. Het feit dat het om uitzendarbeid gaat, rechtvaardigt volgens de rechtbank niet de andere beoordeling, zoals die blijkens het bestreden besluit heeft plaatsgevonden. Het beleid dat aan de herziening ten grondslag heeft gelegen, is volgens de rechtbank in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie EG (HvJ EG).

Uit het besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet dat bijvoorbeeld de looptijd van het contract, de verhouding tussen de maanden waarin wel en de maanden waarin niet 32 uur is gewerkt, en hoeveel uren soms minder is gewerkt, een rol hebben gespeeld bij de beantwoording van de vraag of betrokkene communautair werknemer was.

4. Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat het gevoerde beleid niet in strijd is met de jurisprudentie van het HvJ EG. Verder is volgens appellante niet gebleken van onvrijwillige werkloosheid en kan bovendien worden vastgesteld dat betrokkene vanaf april 2002 nauwelijks nog heeft gewerkt.

5. Namens betrokkene is – voor zover van belang – in hoger beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. Zij heeft voorts gesteld dat de opzegging door het inlenende bedrijf onverwacht kwam; betrokkene kon daar niets aan doen. Zij is bovendien, zo is naar voren gebracht, in die periode actief op zoek geweest naar ander werk. Ook heeft zij vrijwilligerswerk gedaan, als gevolg waarvan de status van werknemer niet per definitie wordt verloren.

Tevens heeft zij verzocht appellante te veroordelen in de door haar als gevolg van de herzieningsbesluiten geleden en nog te lijden schade.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 7.1 van de Wsf 2000 is appellante bevoegd een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien op grond van elk van de in het tweede lid opgesomde feiten. Bij gebruikmaking van die bevoegdheid kan appellante met terugwerkende kracht de toekenning van studiefinanciering alsnog in overeenstemming met het recht brengen. Dit impliceert dat de rechter bij toetsing van een besluit op bezwaar waarbij een belastend herzieningsbesluit is gehandhaafd in beginsel allereerst dient te beoordelen of en zo ja in hoeverre de beschikking die is herzien onjuist was en of bij het herzieningsbesluit de toekenning van studiefinanciering alsnog (meer) in overeenstemming is gebracht met het recht.

6.2. In het onderhavige geding gaat appellante ervan uit dat het eerdere toekenningsbesluit onjuist was omdat betrokkene over de periode april tot en met december 2002 noch in de hoedanigheid van communautair werknemer, noch in de hoedanigheid van burger van de EU onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit in aanmerking komt voor volledige studiefinanciering.

6.3. De vraag of een student als communautair werknemer kan worden aangemerkt, wordt door appellante beantwoord aan de hand van de “Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap” van 4 maart 2005, die door appellante inmiddels in nog lopende zaken overeenkomstig wordt toegepast, indien die toepassing leidt tot een voor betrokkenen gunstig resultaat. De Raad heeft reeds in zijn hiervoor genoemde uitspraak in de zaak Föster overwogen dat appellante met dit beleid geen onjuiste invulling heeft gegeven van het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 EG. Betrokkene voldoet niet aan het in deze beleidsregel opgenomen 32-uurs-criterium. Voor afwijking van het beleid behoefde appellante naar het oordeel van de Raad in het geval van betrokkene geen aanleiding te zien. Bijzondere omstandigheden die tot zo’n afwijking nopen of aanleiding geven, acht de Raad niet aanwezig. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante dit criterium niet aan betrokkene zou mogen tegenwerpen. Dit betekent dat het eerdere toekenningsbesluit over 2002 onjuist was en dat appellante bevoegd was dit te herzien. De herziening is bij het besluit van 15 juli 2004 in zoverre terecht gehandhaafd.

6.4. Met betrekking tot de Beleidsregel van 9 mei 2005 overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak in de zaak Förster dat het in artikel 12 EG neergelegde discriminatieverbod niet in de weg staat aan het stellen als voorwaarde van vijf jaar legaal verblijf zoals verwoord in die beleidsregel, voor zover het gaat om de toekenning van steun aan studenten ter dekking van de kosten van levensonderhoud. Vast staat dat betrokkene in de controleperiode niet voldeed aan die voorwaarde. Verder is naar het oordeel van de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante in het onderhavige geval van de Beleidsregel van 9 mei 2005 zou hebben dienen of behoren af te wijken. De Raad heeft in dit verband vooral van betekenis geacht dat niet is gebleken dat betrokkene al een reële en wederkerige band met de Nederlandse samenleving had voordat zij eind 2001 naar Nederland kwam om te studeren.

6.5. Als gevolg van de herziening van de besluiten tot toekenning van studiefinanciering is er tevens een vordering ontstaan in verband met onterecht bezit van de OV-studentenkaart. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. De vordering is daarom terecht opgelegd en ook in zoverre is het bij het besluit van 15 juli 2004 gehandhaafde herzieningsbesluit juist.

7. Dat appellante bevoegd was om te herzien, laat onverlet dat appellante niet bevoegd was om de eerdere toekenning aan betrokkene geheel ongedaan te maken en dat het besluit op bezwaar van 15 juli 2004 in zoverre onrechtmatig is. Immers, ingevolge het Gemeenschapsrecht heeft betrokkene onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit recht op het gedeelte van de volledige studiefinanciering dat is bedoeld ter dekking van de kosten van toegang tot het onderwijs (de zogenoemde Raulin-vergoeding). Kortheidshalve verwijst de Raad in dit verband naar zijn eerder aangehaalde uitspraak in de zaak Förster. Dit gedeelte van de volledige studiefinanciering is aan betrokkene toegekend bij besluiten van 21 februari 2006, welke besluiten buiten de omvang van het onderhavige geding vallen.

De Raad wijst er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 september 2009, 04/5871 WSF, 04/6253 WSF en 04/6583 WSF, LJN BJ7966, nog wel op dat dit recht niet tevens inhoudt dat betrokkene aanspraak had op de OV-studentenkaart.

8.1. Uit hetgeen is overwogen onder 6.3 tot en met 6.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. Nu de rechtbank het beroep, gelet op hetgeen is overwogen onder 7, terecht gegrond heeft verklaard, het besluit van 15 juli 2004 terecht heeft vernietigd en tevens terecht beslissingen heeft gegeven over proceskosten en griffierecht, is er geen aanleiding de aangevallen uitspraak geheel te vernietigen. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom met verbetering van gronden bevestigen, behoudens voor zover daarin opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

8.2. Aan het besluit van 29 september 2006 dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is de grond komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

9. Het door betrokkene ingediende verzoek om schadevergoeding is in het geheel niet onderbouwd, zodat reeds daarin grond is gelegen om dat verzoek af te wijzen.

10. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar;

Vernietigt het besluit van 29 september 2006;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR