Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
06/1406 WSF+ 06/4354 WSF + 09/5084 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AV3937
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat betrokkene over de maanden januari, maart, april en juni tot en met augustus 2003 geen recht op studiefinanciering ontleent aan artikel 39 EG en artikel 7 van Verordening 1612/68, zodat er in het Gemeenschapsrecht geen grond gelegen is om in het voordeel van betrokkene af te wijken van de door appellante toegepaste vaste gedragslijn of de “Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap” van 4 maart 2005, die appellante inmiddels in nog lopende zaken overeenkomstig toepast indien dit leidt tot een voor betrokkenen gunstig resultaat. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante geen 32-uren-criterium aan betrokkene mag tegenwerpen. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1406 WSF, 06/4354 WSF en 09/5084 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2006, 05/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Op 10 maart 2006 heeft appellante een besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

In een aantal bij de Raad aanhangige hoger beroepszaken, waaronder de onderhavige zaak, is de vraag gerezen of betrokkenen als burger van de Europese Unie (EU) recht hebben op volledige studiefinanciering naar Nederlands recht in verband met het verbod op discriminatie naar nationaliteit dat is neergelegd in artikel 12, eerste alinea, EG.

Op 16 maart 2007 heeft de Raad in de zaak Förster, 05/6182 WSF, LJN BA1063, ter zake prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 18 november 2008, C-158/07, LJN BG7319.

Partijen hebben gebruik gemaakt van de door de Raad geboden gelegenheid op dit arrest te reageren.

De Raad heeft op 29 juni 2009 uitspraak gedaan in de zaak Förster, 05/6182 WSF, LJN BJ1015.

Appellante heeft bij besluit van 2 september 2009 opnieuw een besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. Namens betrokkene is verschenen mr. Nieuwstraten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft de Duitse nationaliteit en is in 1999 naar Nederland gekomen om te studeren. Zij heeft appellante verzocht haar vanaf september 2000 studiefinanciering toe te kennen voor een opleiding Bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft.

1.2. Appellante heeft betrokkene op grond van de veronderstelling dat zij aan te merken zou zijn als werknemer in de zin van artikel 39 EG (hierna ook: communautair werknemer) overeenkomstig de aanvraag studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs. Van deze beurs maakt een OV-studentenkaart deel uit.

1.3. Nadat appellante bij een in 2004 uitgevoerde controle is gebleken dat betrokkene in de maanden januari, maart, april en juni tot en met augustus 2003 niet minimaal 32 uren per maand heeft gewerkt, is de eerdere toekenning van studiefinanciering aan betrokkene over deze maanden bij besluiten van 13 december 2004 en 17 december 2004 door appellante herzien, in die zin dat deze eerdere toekenning over deze maanden volledig ongedaan is gemaakt. Daarbij is € 1.324,68 aan uitbetaalde studiefinanciering teruggevorderd. Verder is ten laste van betrokkene een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 476,-.

2. Het bezwaarschrift dat betrokkene hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 14 april 2005 onder verwijzing naar de artikelen 12 en 39 EG, artikel 7 van de EG-Verordening 1612/68, de artikelen 2.2, 3.27, eerste lid, 7.1, tweede lid, onder c, en 7.4 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en het door appellante gevoerde beleid ongegrond verklaard. Aangegeven is daarbij dat appellante studerende niet-Nederlandse EU-onderdanen aanmerkt als communautair werknemer indien en zolang zij ten minste 32 uren per maand werken en dat in het onderhavige geval gebleken is dat betrokkene in de in dat besluit genoemde maanden van 2003 niet (voldoende) heeft gewerkt, zodat in die maanden geen recht op studiefinanciering bestond.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 april 2005 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft haar oordeel doen steunen op de overweging dat de vraag of betrokkene als migrerend werknemer diende te worden beschouwd, door de appellante slechts is getoetst aan het eigen beleid, waarmee een te beperkte maatstaf is aangelegd. Uit het besluit blijkt (ten onrechte) niet dat bijvoorbeeld de looptijd van het contract, de verhouding tussen de maanden waarin wel en de maanden waarin niet 32 uur is gewerkt, en hoeveel uren soms minder is gewerkt, een rol hebben gespeeld bij de beantwoording van die vraag.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de overwegingen die tot gegrondverklaring van het beroep hebben geleid onder verwijzing naar de arresten Bidar (zaak C-209/03, LJN AT4292), Bernini (zaak C-3/90, LJN AK9625) en Raulin (zaak C-357/89, LJN AD1623) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) uitdrukkelijk een oordeel gegeven over de door betrokkene aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot de relatie tussen het werk dat zij verrichtte en haar studie, de beroepsgronden met betrekking tot haar integratie in Nederland en de beroepsgronden met betrekking tot haar onvrijwillige werkloosheid, en deze beroepsgronden zonder voorbehoud verworpen. Betrokkene heeft tegen de verwerping van deze gronden geen hoger beroep ingesteld.

4. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat wel degelijk aanvullend onderzoek is gedaan en dat er terecht is getoetst aan haar beleid. Volgens haar sluit het daarbij gehanteerde, eenvoudige, criterium goed aan bij de jurisprudentie van het HvJ EG. Ook de als bijzonder aangevoerde omstandigheden zijn beoordeeld, aldus appellante.

5. Betrokkene heeft – voor zover hier van belang – in hoger beroep betoogd dat bij de herziening van de oorspronkelijke toekenningsbesluit ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat zij recht heeft op de zogenoemde Raulin-vergoeding ter bestrijding van de kosten van toegang tot het onderwijs.

Wat betreft de vordering wegens onterecht kaartbezit heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een situatie dat het niet tijdig inleveren haar niet kon worden toegerekend, nu zij niet wist dat haar recht op studiefinanciering was geëindigd en zij bovendien, gelet op het feit dat zij een oproepcontract had, niet iedere maand van tevoren kon weten of zij in de desbetreffende maand voldoende zou werken om het recht op de kaart te behouden.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 7.1 van de Wsf 2000 is appellante bevoegd een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien op grond van elke van de in het tweede lid opgesomde feiten. Bij gebruikmaking van die bevoegdheid kan appellante met terugwerkende kracht de toekenning van studiefinanciering alsnog in overeenstemming met het recht brengen. Dit impliceert dat de rechter bij toetsing van een besluit op bezwaar waarbij een belastend herzieningsbesluit is gehandhaafd in beginsel allereerst dient te beoordelen of en zo ja in hoeverre de beschikking die is herzien onjuist was en of bij het herzieningsbesluit de toekenning van studiefinanciering alsnog (meer) in overeenstemming is gebracht met het recht.

6.2. In het onderhavige geding gaat appellante ervan uit dat het eerdere toekenningsbesluit onjuist was omdat betrokkene over de maanden januari, maart, april en juni tot en met augustus van het gecontroleerde studiefinancieringstijdvak noch in de hoedanigheid van communautair werknemer, noch in de hoedanigheid van burger van de EU onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit in aanmerking komt voor volledige studiefinanciering.

6.3. De Raad is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat betrokkene over de maanden januari, maart, april en juni tot en met augustus 2003 geen recht op studiefinanciering ontleent aan artikel 39 EG en artikel 7 van Verordening 1612/68, zodat er in het Gemeenschapsrecht geen grond gelegen is om in het voordeel van betrokkene af te wijken van de door appellante toegepaste vaste gedragslijn of de “Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap” van 4 maart 2005, die appellante inmiddels in nog lopende zaken overeenkomstig toepast indien dit leidt tot een voor betrokkenen gunstig resultaat. Daartoe is in aanmerking genomen dat betrokkene in zes van de twaalf maanden (aanzienlijk) minder dan 32 uur per maand betaalde arbeid heeft verricht. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante geen 32-uren-criterium aan betrokkene mag tegenwerpen. Dat betekent dat de eerdere toekenning over 2003 onjuist was en dat appellante bevoegd was deze te herzien. De herziening is bij het besluit van 14 april 2005 in zoverre terecht gehandhaafd.

6.4. Als gevolg van de herziening van de beslissingen tot toekenning van studiefinanciering is er tevens een vordering ontstaan in verband met onterecht bezit van de OV-studentenkaart. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. Dat niet altijd van tevoren is te voorzien of er voldoende uren worden gewerkt om recht te behouden op studiefinanciering (en daarmee het recht op de

OV-studentenkaart) maakt dat niet anders. Van een situatie van overmacht, waarop het vierde lid van artikel 3.27 van de Wsf 2000 ziet, is geen sprake (geweest). De vordering is daarom terecht opgelegd en ook in zoverre is het bij het besluit van 14 april 2005 gehandhaafde herzieningsbesluit juist.

7.1. Dat appellante bevoegd was om te herzien laat onverlet dat appellante niet bevoegd was om de eerdere toekenning aan betrokkene geheel ongedaan te maken en dat het besluit op bezwaar van 14 april 2005 in zoverre onrechtmatig is, zoals terecht door betrokkene is betoogd. Immers, ingevolge het Gemeenschapsrecht heeft betrokkene onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit recht op het gedeelte van de volledige studiefinanciering dat is bedoeld ter dekking van de kosten van toegang tot het onderwijs (de zogenoemde Raulin-vergoeding). Kortheidshalve verwijst de Raad in dit verband naar zijn eerder aangehaalde uitspraak in de zaak Förster. Verder wijst de Raad er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 september 2009, 04/5871 WSF, 04/6253 WSF en 04/6583 WSF, LJN BJ7966, op dat dit recht niet tevens inhoudt dat betrokkene aanspraak had op de OV-studentenkaart. De door betrokkene op dit punt naar voren gebrachte stelling kan dan ook niet worden gevolgd.

7.2. Appellante heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 10 maart 2006 een nieuwe besluit genomen op de bezwaren van betrokkene. Aan dit besluit, dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb door de Raad in zijn beoordeling van het onderhavige hoger beroep wordt meegenomen, kleeft hetzelfde gebrek als aan het door de rechtbank vernietigde besluit, zodat ook dit besluit dient te worden vernietigd.

7.3. Bij besluit van 2 september 2009 heeft appellante andermaal een beslissing genomen op de bezwaren van betrokkene. Deze zijn daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 juni 2009, 05/6182 WSF, LJN BJ1015, alsnog gegrond verklaard voor zover in het oorspronkelijke herzieningsbesluit ook dat gedeelte van de volledige studiefinanciering is herzien dat betrekking heeft op de kosten van toegang tot het onderwijs. In zoverre is aan betrokkene de betaalbaarstelling van de zogenoemde Raulin-vergoeding ter hoogte van deze kosten in het vooruitzicht gesteld. Ook dit besluit wordt, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, door de Raad bij zijn beoordeling meegenomen. Nu het in de besluiten van 14 april 2005 en 10 maart 2006 geconstateerde gebrek met dit besluit is geheeld en tegen dit besluit door betrokkene verder geen grieven zijn gericht, dient het beroep daartegen ongegrond te worden verklaard.

8. Nu betrokkene niet zelf in hoger beroep is gekomen, volgt uit hetgeen is weergegeven onder 3, laatste twee volzinnen, dat het in verweer aangevoerde, voor zover dat betrekking heeft op de door de rechtbank verworpen beroepsgronden, geen bespreking behoeft.

9. Uit hetgeen is overwogen onder 6.3 tot en met 6.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. Nu de rechtbank het beroep terecht gegrond heeft verklaard, het besluit van 14 april 2005 terecht heeft vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw besluit, en tevens terecht beslissingen heeft gegeven over proceskosten en griffierecht, is er geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen, voor zover deze is aangevochten, met verbetering van de gronden.

10. De Raad acht termen aanwezig om appellante met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.932,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verweerschrift in hoger beroep, 1 punt voor een gevraagde reactie, 1 punt voor het bijwonen van de zitting; wegingsfactor 2). Aangezien betrokkene een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand heeft overgelegd, dient dit te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.932,-, welk bedrag moet worden betaald aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR