Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
09-982 WAO + 09-2179 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met nader besluit niet tegemoetgekomen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Geen objectieve medische gegevens ingebracht door appellant die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen uit de behandelende sector (zenuwarts) beschikbare gegevens. De bva heeft gemotiveerd waarom er is afgeweken van de bij (de) eerdere beoordeling(en) voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. Geen overschrijding van de belasting in de functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/982 WAO + 09/2179 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2008, 07/2453 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 16 april 2009, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 17 augustus 2006 is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 18 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Bij besluit van 27 juli 2007 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – zijn besluit van 17 augustus 2006 gehandhaafd en voorts de WAO-uitkering van appellant per (de toekomende datum van) 1 oktober 2007 ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad terzake, voorop gesteld dat het onder omstandigheden toelaatbaar kan worden geacht wanneer een betrokkene in de bezwaarschriftprocedure in een nadeliger positie komt te verkeren dan voor het instellen van bezwaar. Het Uwv is, op grond van de artikelen 36 en 42 van de WAO, verplicht over te gaan tot herziening van een WAO-uitkering indien de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen. Hieruit volgt dat aan deze verplichting, in het geval van de bezwaarprocedure, buiten de gronden van het bezwaar om, vorm kan worden gegeven via de in die procedure te nemen beslissing op bezwaar. Daarbij is van belang dat de betrokkene in de bezwaarprocedure in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het nader door het uitvoeringsorgaan ingenomen standpunt, zodat hij niet op ontoelaatbare wijze is beperkt in zijn verweermogelijkheden. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het onderhavige geval is verzuimd appellant in de gelegenheid te stellen de hiervoor bedoelde reactie te geven. Hierin heeft de rechtbank grond gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Zij achtte wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft evenwel onvoldoende gemotiveerd dat appellant voldoet aan de gestelde opleidingseisen in de hem voorgehouden functies. De rechtbank achtte het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Hij is het niet eens met de medische beoordeling en meent voorts dat hij de geduide functies niet kan uitvoeren. Appellant meent daarom dat hij per 18 oktober 2006 onverminderd aanspraak kan maken op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het in rubriek I genoemde besluit van 16 april 2009 genomen. In het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van 25 maart 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars een aantal functies laten vervallen, omdat voor die functies een te hoog opleidingsniveau was vereist, waarna de functies inpakker, handmatig (SBC-code 111190), huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) resteren.

5.1. Oordeel van de Raad.

5.2. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 16 april 2009, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

5.3. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, oordeelt de Raad als volgt.

5.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking. De Raad acht bij het voorgaande nog van belang dat de verzekeringsartsen kennis hebben genomen van de omtrent appellant uit de behandelende sector (zenuwarts) beschikbare gegevens. Het is de Raad niet gebleken dat met die gegevens niet of onvoldoende zou zijn rekening gehouden. Anders dan appellant veronderstelt heeft de bezwaarverzekeringsarts overigens gemotiveerd waarom er is afgeweken van de bij (de) eerdere beoordeling(en) voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Zo heeft de bezwaarverzekeringsarts zich in zijn rapport van 26 maart 2007 op het standpunt gesteld dat appellant in 2004 op basis van een niet onderbouwd psychiatrisch rapport op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is geacht. Aan appellants eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad tot slot niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. In het voorgaande ligt besloten dat er – bij gebrek aan de daarvoor vereiste twijfel – geen aanleiding bestaat om over te gaan tot inschakeling van een eigen deskundige.

5.5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5.6.1. Met betrekking tot het besluit van 16 april 2009 stelt de Raad voorop dat het bij de beoordeling van dat besluit, dat berust op dezelfde – blijkens het vorenstaande voor juist te houden – medische grondslag als het bestreden besluit, nog slechts gaat om de vraag of voldoende is gemotiveerd dat de drie functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd voor appellant geschikt zijn te achten.

5.6.2. De onder 5.6.1 geformuleerde vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad is van oordeel dat in de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Evegaars van 25 maart 2009, gelezen in samenhang met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.J.G.A. Pols Paardekooper van 21 mei 2007, alle gesignaleerde knelpunten en mogelijke overschrijdingen ten aanzien van de overgebleven functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering en is van oordeel dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Hetgeen appellant ter zitting van de Raad heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat de functie van inpakker niet geschikt is vanwege een te hoog handelingstempo. Deze stelling ziet er immers aan voorbij dat appellant op dit item niet beperkt is geacht. Appellant heeft voorts kritiek geuit op de functie van huishoudelijk medewerker. In deze functie moet volgens appellant worden samengewerkt met het verplegend personeel en is sprake van omgang met patiënten. Deze kritiek treft evenmin doel. Appellant is niet beperkt geacht op het item samenwerken. Hij is wel beperkt geacht op het item omgaan met conflicten, in die zin dat hij een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact kan hanteren. Gelet op het solitaire karakter van de functie van huishoudelijk medewerker vermag de Raad evenwel niet in te zien dat appellant in deze functie zal worden blootgesteld aan dergelijke conflicten. De Raad is evenmin gebleken dat in de geduide functies een hoger opleidingsniveau is vereist dan waarover appellant beschikt. Het betoog van appellant dat hij in de functie van huishoudelijk medewerker trainingen (in de omgang met schoonmaakmiddelen) moet volgen mist ten slotte feitelijke grondslag. Uit de zich onder de stukken bevindende functiebeschrijvingen kan de Raad niet afleiden dat dergelijke trainingen dienen te worden gevolgd.

5.7. Op basis van de overgebleven functies heeft het Uwv in het besluit van 16 april 2009 naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 18 oktober 2006 voor 55 tot 65%, en met ingang van 1 oktober 2007 voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt is ingevolge de WAO.

5.8. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.7 is overwogen volgt dat aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het besluit van 16 april 2009 ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.E. van Rooij.

IvR