Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
08-2650 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding het oordeel van de rechtbank omtrent de omvang van de maatman niet te volgen. De Raad kan zich niet vinden in de medische grondslag van het bestreden besluit 2, voor zover er daarbij vanuit is gegaan dat appellant bij einde wachtttijd in staat was tot het verrichten van arbeid in een omvang van maximaal 8 uur per dag, maximaal 40 uren per week. De Raad is van oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige en gebrekkig gemotiveerde besluitvorming. De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand gelaten. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2650 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 maart 2008, 06/1748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder overlegging van een rapport van 22 augustus 2008 van bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk.

De Raad heeft vragen gesteld, welke het Uwv bij brieven van 7 september en 16 september 2009, onder overlegging van bijlagen, heeft beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde Van Baarlen, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door D.S. de Vries.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 15 juni 2004 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig opticien ten gevolge van vermoeidheidsklachten veroorzaakt door hartritmestoornissen.

1.2. In het kader van een aanvraag om een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) heeft appellant een aantal vragenlijsten ingevuld en is appellant op 19 september 2005 medisch onderzocht door verzekeringsarts S. Ramkisoen. Deze laatste heeft vervolgens een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 12 oktober 2005 opgesteld.

1.3. De arbeidsdeskundige D.J.W. Hekkert heeft vervolgens een onderzoek ingesteld, bestaande onder meer uit een huisbezoek bij appellant. Bij brief van 9 november 2005 heeft de echtgenote van appellant desgevraagd een opgave gedaan van het aantal gewerkte uren voorafgaand aan de datum van uitval. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens diverse functies geselecteerd aan de hand waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 18,82% is berekend.

1.4. Bij besluit van 11 januari 2006 heeft het Uwv medegedeeld dat appellant na doorlopen van de wettelijke wachttijd met ingang van 14 juni 2005, geen recht heeft op WAZ-uitkering op de grond dat hij voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

1.5. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 januari 2006. Bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk heeft op 25 april 2006 gerapporteerd naar aanleiding van de bezwaren, waarna het Uwv bij besluit van 20 juni 2006 het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

2.1. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van 20 juni 2006 (hierna: bestreden besluit 1). Naar aanleiding van een vraag van de rechtbank heeft het Uwv op 24 mei 2007 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij dat besluit (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard, appellant alsnog in aanmerking gebracht voor een WAZ-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, waarbij de uitbetaling van de uitkering wordt gebaseerd op 25 tot 35% onder toepassing van artikel 58 van de WAZ in verband met het feit dat appellant nog gedeeltelijk werkzaam is in het eigen werk.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2.

2.3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand blijven en aanvullende beslissingen gegeven ter zake van rente, proceskosten en griffierecht.

2.4. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv op grond van de aanwezige gedingstukken de gezondheidstoestand van appellant niet onjuist heeft ingeschat. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het Uwv terecht is uitgegaan van een arbeidspatroon van 71,5 uur per week, voorafgaand aan de uitval in 2004, en dat terecht het opleidingsniveau op 5 is gesteld. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat het bestreden besluit 2 eerst in de beroepsfase van een volledige en toereikende onderbouwing is voorzien, om welke reden de rechtbank dat besluit heeft vernietigd. Gelet op de rapportages van 15 mei 2007 en 2 oktober 2007 van bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand te laten.

3.1. In hoger beroep zijn grieven aangevoerd tegen de urenomvang van de maatgevende functie en het maatmaninkomen per uur. Daarnaast is aangevoerd dat in strijd met de zogenoemde werkinstructie-CBBS niet onderzocht is in hoeverre appellant in staat is tot belastingen boven de in de FML aangegeven normaalwaarden en dat de in de FML voorkomende beperkende toelichtingen een nadere motivering behoeven. Appellant is ten onrechte in staat geacht tot arbeid gedurende acht uren per dag. In de geduide functies is sprake van meer dan marginale overschrijdingen dan wel overschrijdingen van de totaalbelastingen. Appellant kan zich niet verenigen met het opleidingsniveau waar het Uwv vanuit gaat. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit 2 met voorbijgaan aan de grenzen van de heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb tevens een beslissing behelst ter zake het toepassen van het kortingsartikel 58 van de WAZ met ingang van de datum in geding.

3.2. Het Uwv heeft gemotiveerd de door appellant ingenomen standpunten bestreden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep zich richt tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak.

4.2. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte mede in haar beoordeling heeft betrokken de eerst bij bestreden besluit 2 genomen beslissing tot korting van de uitkering op grond van artikel 58 van de WAZ, overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad al vaker heeft geoordeeld (zoals bijvoorbeeld de uitspraken van 17 juni 2003, LJN AI0016 en 11 juli 2007, LJN BB0252) volgt uit het stelsel van de Awb dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit moet worden beslist. Het Uwv heeft dan ook terecht bij bestreden besluit 2 niet alleen een beslissing genomen omtrent toekenning van WAZ-uitkering per 14 juni 2005 maar tevens beoordeeld of toepassing gegeven moest worden aan artikel 58 van de WAZ.

4.3. Naar grondslag en reikwijdte is bestreden besluit 2 door de rechtbank terecht als een wijziging van bestreden besluit 1 gezien, namelijk een aanvulling van dat besluit. Nu bestreden besluit 2 niet geheel aan het beroep tegemoet kwam, heeft de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb terecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.

4.4. Evenmin ziet de Raad aanleiding het oordeel van de rechtbank omtrent de omvang van de maatman niet te volgen. Niet alleen heeft appellant in de opgaaf van 23 augustus 2005 duidelijk aangegeven vóór de opgegeven eerste dag van ziekte ongeveer 80 uren te werken, zowel in de voormiddag, namiddag als de avond (na de opgegeven eerste dag van ziekte geeft appellant aan dat dit aantal nog maar ongeveer 40 bedraagt waarbij niet meer in de avonden wordt gewerkt, maar ook niet meer op donderdagochtend en zaterdagmiddag), maar ook uit de schriftelijke urenspecificatie van 9 november 2005 blijkt zonder meer dat, voordat het niet meer zo goed ging, minimaal 71,5 uren per week werd gewerkt. Bovendien is deze laatste opgaaf in het gesprek van appellant met arbeidsdeskundige Hekkert op 21 november 2005 bevestigd.

4.5. De Raad kan zich evenwel niet vinden in de medische grondslag van het bestreden besluit 2, voor zover er daarbij vanuit is gegaan dat appellant bij einde wachtttijd in staat was tot het verrichten van arbeid in een omvang van maximaal 8 uur per dag, maximaal 40 uren per week.

4.6. In het rapport van verzekeringsarts S. Ramkisoen van 19 september 2005 vermeldt deze onder ‘Anamnese’ dat appellant last heeft van moeheid in de loop van de middag en onder ‘Beschouwing’ dat sprake is van lichte energetische beperkingen, dat appellant overdag recuperatietijd nodig heeft om de dag door te komen, dat dit uit zijn dagverhaal blijkt en dat dit wordt veroorzaakt door zijn hartritmestoornissen en hoge bloeddruk. Aangegeven wordt dat appellant sinds 15 juni 2004 meerdere keren moet rusten tijdens het werk, waardoor hij minder productief kan zijn.

4.7. In haar emailbericht van 28 september 2007 verklaart de verzekeringsarts - desgevraagd - dat er een fout in haar beschouwing staat en dat bedoeld was te zeggen dat (in plaats van overdag) appellant ’s avonds recuperatietijd nodig heeft. Uit het dagverhaal zou ook blijken dat appellant na het avondeten ontspannende activiteiten verricht als tuinieren en computeren tot aan bedtijd.

4.8. In het licht van de door appellant in eerste aanleg maar ook in hoger beroep consequent aangevoerde behoefte om overdag te rusten, acht de Raad de door de verzekeringsarts twee jaar na het spreekuuronderzoek gegeven andere uitleg aan de feitelijke mededelingen van appellant niet overtuigend. Ook uit het dagverhaal, opgetekend in het rapport van 19 september 2005 - waar weliswaar geen dagelijks terugkerend rustmoment wordt beschreven - blijkt veeleer dat sprake is van het (slechts) soms in de avond verrichten van ontspannende activiteiten.

4.9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.5 tot en met 4.7 is de Raad van oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige en gebrekkig gemotiveerde besluitvorming. In zoverre slaagt het hoger beroep. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand heeft gelaten. Het Uwv zal opgedragen worden opnieuw te beslissen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak.

4.10. De Raad ziet geen aanleiding de overige grieven nog te bespreken.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden vernietigde besluit 2 geheel in stand zijn gelaten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R. Kruisdijk en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen

(get.) A.E. van Rooij.

TM