Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-3391 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens opheffing functie. Voldoende herplaatsingsinspanningen? Nu (...) in het tweede jaar, ondanks de (extra) intensieve activiteiten, geen sprake is geweest van een proefplaatsing of het verrichten van tijdelijk werk, en er ook overigens geen zicht was op herplaatsing op korte termijn, heeft zich geen van voorwaarden voor verlenging voorgedaan en heeft het college derhalve op goede gronden kunnen besluiten de bemiddelingstermijn niet te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3391 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2008, 06/5511 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Th.M. van Doesum, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1971 in dienst bij de gemeente Amsterdam, laatstelijk als [naam functie]. Als gevolg van een reorganisatie is de functie van appellant komen te vervallen en is aan hem met ingang van 15 april 2004 de zogenoemde RAP-status toegekend.

1.2. Bij besluit van 30 maart 2006 is appellant met ingang van 14 juli 2006 ontslag verleend wegens opheffing van de functie. Het college heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 4 oktober 2006. Het college heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding is om de RAP-status met nog eens een jaar te verlengen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het feit dat er in het eerste jaar van de bemiddelingsperiode onvoldoende herplaatsingsinspanningen zijn verricht, er niet toe kan leiden dat het college de bemiddelingsperiode alsnog had kunnen verlengen, omdat die bemiddelingsperiode volgens het Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteit (hierna: Besluit), maximaal twee jaar kan bedragen en appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na de bemiddelingstermijn van twee jaar wel voor een andere passende functie in aanmerking kwam.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem op voorhand een bemiddelingstermijn van twee jaar is toegezegd en dat er geen sprake is geweest van een verlenging na het eerste jaar. Volgens appellant is met die toezegging afgeweken van zowel het eerste, als het tweede lid van artikel 2.17 van het Besluit. Appellant meent dat de rechtbank hem daarom ten onrechte heeft tegengeworpen dat de bemiddelingstermijn volgens het Besluit maximaal twee jaar bedraagt. Appellant blijft voorts van mening dat, nu in het eerste jaar in het geheel geen herplaatsingsinspanningen zijn verricht, er grond is om de bemiddelingstermijn te verlengen, zodat het ontslag per 14 juli 2006 niet in stand kan blijven.

3.2. Het college heeft aangevoerd dat is erkend dat de inspanningen in het eerste jaar tekort zijn geschoten, maar dat in dat jaar wel sprake is geweest van enige inspanningen in de vorm van een gesprek met het teamhoofd diversiteit en het doen volgen van een sollicitatietraining door appellant. In ieder geval is volgens het college het gebrek aan inspanningen in het eerste jaar in het tweede jaar ruimschoots goed gemaakt, hetgeen door appellant niet is bestreden. Het college heeft erop gewezen dat de bemiddelingstermijn in principe een jaar is en dat die in het geval van appellant op voorhand is verlengd, zonder dat daarbij is getoetst of aan de voorwaarden voor verlenging was voldaan. Die afwijking was in het voordeel van appellant. Het college heeft ten slotte aangevoerd dat appellant in het eerste jaar geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat er weinig inspanningen werden verricht.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Uit het Besluit blijkt dat de bemiddelingstermijn bij dreigend ontslag wegens reorganisatie in beginsel een jaar bedraagt, en dat deze termijn in nader omschreven gevallen met een jaar kan worden verlengd.

4.2. Vastgesteld kan worden dat het college zich in het eerste jaar nauwelijks, maar in het tweede bemiddelingsjaar actief heeft ingezet om appellant elders herplaatst te krijgen. Dat laatste wordt door appellant ook niet bestreden. Uit de gedingstukken blijkt verder dat appellant, aan wie het vacaturebulletin werd toegezonden, in het eerste jaar acht sollicitaties heeft verricht, veelal naar functies met een hogere functieschaal, die niet duidelijk in de lijn lagen van zijn laatste functie. Appellant heeft bij die sollicitaties geen gebruik gemaakt van zijn RAP-status en de daaraan verbonden voorrangspositie bij sollicitatie naar een passende functie als omschreven in artikel 2.21 van het Besluit. Ook overigens heeft hij niet aangedrongen op daadwerkelijke en concrete bemiddelings-inspanningen van de kant van het college.

Nu voorts in het tweede jaar, ondanks de (extra) intensieve activiteiten, geen sprake is geweest van een proefplaatsing of het verrichten van tijdelijk werk, en er ook overigens geen zicht was op herplaatsing op korte termijn, heeft zich geen van de in artikel 2.17 van het Besluit genoemde voorwaarden voor verlenging voorgedaan en heeft het college derhalve op goede gronden kunnen besluiten de bemiddelingstermijn niet te verlengen.

5. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet kan slagen en dat het besluit om appellant per 14 juli 2006 te ontslaan in rechte kan standhouden.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW