Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-493 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Inhouden bezoldiging. Disciplinair strafontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging. Bevoegdheid; machtiging. Niet horen. De Raad stelt vast dat geen bepaling of voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan de minister gehouden zou zijn in overleg te treden met appellant. De minister heeft wel de bevoegdheid om een minnelijke regeling met appellant te treffen, maar achtte het in deze situatie niet opportuun om een minnelijke regeling te treffen omdat appellant verdacht werd van een misdrijf. Grond voor de wijziging van de schorsingsgrondslag en voor de inhouding van bezoldiging. Geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. In bezit van (onderdelen van) wapens en munitie in strijd met de Wwm. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim, de positie van appellant als advocaat-generaal, het feit dat appellant in de jaren negentig een aantal jaren specifiek de functie van (vuur)wapen-officier van justitie heeft vervuld en de omstandigheid dat appellant de ernst van zijn gedragingen niet inziet, is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf niet onevenredig is aan het plichtsverzuim. Dat appellant een lange staat van dienst heeft en nog slechts een korte tijd tot zijn pensionering had te gaan, maakt dat niet anders.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 91, geldigheid: 2009-10-15
Algemeen Rijksambtenarenreglement 92, geldigheid: 2009-10-15
Algemene wet bestuursrecht 4:8, geldigheid: 2009-10-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/25

Uitspraak

08/493 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

1. de Minister van Justitie (hierna: minister) en

2. de Kroon, vertegenwoordigd door de minister

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.A. Bijker, werkzaam bij het Expertise-centrum Arbeidsjuridisch, en mr. dr. L. Tilstra, werkzaam bij het College van procureurs-generaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1 september 2004 werkzaam als [naam functie] bij het ressortsparket in Amsterdam. Op 30 april 2006 is appellant bij een gerichte politie-actie naar aanleiding van een wapenbeurs in België aangehouden onder verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie (Wwm). De daarop gevolgde inverzekeringstelling is op 4 mei 2006 beëindigd, waarna appellant in vrijheid is gesteld. Bij door-zoeking van de twee woningen van appellant heeft de Rijksrecherche (onderdelen van) wapens en munitie aangetroffen en een deel daarvan in beslag genomen.

1.2. Appellant is van 8 mei 2006 tot en met 19 mei 2006 voorlopig geschorst in afwachting van een definitief besluit over zijn schorsing. Bij besluit van 18 mei 2006 is appellant in het belang van de dienst geschorst voor de periode van 22 mei 2006 tot en met 28 juli 2006. Deze schorsing is bij besluit van 26 juli 2006 verlengd tot en met

29 september 2006.

1.3. Aan appellant is bij brief van 19 september 2006 het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag meegedeeld. Bij besluit van eveneens 19 september 2006 heeft het College van procureurs-generaal namens de minister met ingang van 20 september 2006 de grondslag van de schorsing veranderd naar een schorsing wegens het ter kennis brengen van het voornemen tot onvoorwaardelijk strafontslag. Daarbij is ook besloten om met ingang van 20 september 2006 de bezoldiging in te houden. Appellant heeft tegen de veranderde grondslag van de schorsing en de inhouding van bezoldiging bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft de secretaris-generaal namens de minister aan appellant disciplinair strafontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging verleend. Appellant is verweten dat hij één of meer (onderdelen van) wapens en munitie zonder vergunning voorhanden heeft gehad en dat hij de concrete en serieuze verdenking op zich heeft geladen dat hij één of meer als misdrijf gekwalificeerde bepalingen uit de Wwm heeft overtreden. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 12 december 2007 heeft de minister de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 19 september 2006 en 26 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.6. Appellant is door de rechtbank Breda en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch strafrechtelijk veroordeeld vanwege - kort gezegd - het in strijd met de Wwm invoeren in Nederland en voorhanden hebben van (onderdelen van) wapens en munitie.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

2.1. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit bevoegdelijk door de minister, respectievelijk de Kroon is genomen. Gelet hierop kan in het midden blijven of de primaire besluiten wel bevoegdelijk zijn genomen aangezien volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 oktober 2002, LJN AE8966 en TAR 2003, 39) een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld, indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen.

Appellant heeft het standpunt ingenomen dat uit het kabinetsrescript van 5 september 2006 niet blijkt dat de door de Koningin gegeven machtiging betrekking op hem heeft. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de ter zitting door de gemachtigde van de minister gedane mededeling dat in het verzoek aan de Koningin de naam van appellant wel is genoemd, zodat er geen misverstand kan zijn dat machtiging is verleend aan de minister om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

2.2. Appellants grief dat hij niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gehoord voordat het besluit van 19 september 2006 is genomen, leidt niet tot de conclusie dat het besluit van 12 december 2007 moet worden vernietigd. Appellant is in het kader van de bezwarenfase namelijk voldoende in de gelegenheid geweest om zijn zienswijze op de gang van zaken te geven. Van die gelegenheid heeft hij ook gebruik gemaakt.

2.3. Appellant heeft in verband met de omstandigheid dat hij met pensioen zou (kunnen) gaan vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in november 2006, de minister voorgesteld tot een minder vergaande oplossing te komen, waarbij appellant heeft aangeboden de periode tot aan de ingangsdatum van zijn pensioen niet te werken, maar verlof te nemen. Naar aanleiding van de weigering van de minister op dit aanbod in te gaan heeft appellant het standpunt ingenomen dat van de minister in redelijkheid had kunnen worden gevergd dat hij met hem in overleg zou treden om te komen tot een minnelijke regeling. De Raad stelt vast dat geen bepaling of voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan de minister gehouden zou zijn in overleg te treden met appellant. De minister heeft wel de bevoegdheid om een minnelijke regeling met appellant te treffen, maar achtte het in deze situatie niet opportuun om een minnelijke regeling te treffen omdat appellant verdacht werd van een misdrijf. De Raad kan dit niet onjuist achten.

2.4. De Raad volgt appellant niet in zijn grief dat er geen grond was voor de wijziging van de schorsingsgrondslag en voor de inhouding van bezoldiging, omdat geen sprake was van nieuwe feiten. Aan appellant is immers in een brief van 19 september 2006 het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag meegedeeld. Artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), in verbinding met artikel 39, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, voorziet specifiek in de mogelijkheid om een ambtenaar te schorsen wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven. Daarmee is de grond voor wijziging van de schorsingsgrondslag gegeven. Appellant bestrijdt ook de juistheid van de inhouding van bezoldiging per 20 september 2006. Uit de stukken blijkt dat deze inhouding op het salaris voor 8 uur per week is toegepast. De bevoegdheid daartoe is gegeven in artikel 92 van het ARAR, in verbinding met artikel 39, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De minister heeft naar het oordeel van de Raad in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.

2.5. Wat betreft de stelling van appellant dat het tegen hem gehanteerde bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen is en daarom uitgesloten zou moeten worden, wijst de Raad erop dat in afwijking van de strikte toetsingsmaatstaf voor bewijsmateriaal die in het strafrecht wordt gehanteerd, in het ambtenarentuchtrecht ruimere maatstaven gelden. Immers, volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220) is het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan als zij zijn verkregen op een manier die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval geen sprake. Overigens heeft de strafrechter in eerste aanleg en in appel met toepassing van de strengere strafrechtelijke toetsingsmaatstaf geoordeeld dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen.

2.6. De Raad acht niet goed voorstelbaar dat appellant, die sinds lange tijd wapens verzamelt en een deskundige is op het gebied van de Wwm, bij de aankoop van een geweer op de beurs in België, niet heeft geweten dat het om een wapen ging dat onder de Wwm viel. In ieder geval is niet goed voorstelbaar dat appellant deze mogelijkheid niet heeft onderzocht alvorens een dergelijk wapen te kopen. Het ter zitting door appellant ingenomen standpunt dat pas na de beurs is komen vast te staan dat het hier ging om een in de Verenigde Staten vervaardigd geweer op grond van een door de fabrikant in Scandinavië verstrekte licentie heeft de Raad niet kunnen overtuigen. Blijkens het proces-verbaal van het tweede verhoor van appellant is het betreffende geweer, dat ook aan appellant tijdens dat verhoor is getoond, namelijk voorzien van onder meer de tekst “US Model 1898, Springfield Armory”.

Daarnaast wordt aan appellant verweten dat hij buiten dit geweer meer (onderdelen van) wapens en munitie in strijd met de Wwm voorhanden heeft gehad. Appellant heeft dat ook niet ontkend. De Raad is van oordeel dat deze feiten als ernstig plichtsverzuim moeten worden aangemerkt. Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen, is de minister bevoegd een disciplinaire straf op te leggen.

2.7. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim, de positie van appellant als advocaat-generaal, het feit dat appellant in de jaren negentig een aantal jaren specifiek de functie van (vuur)wapen-officier van justitie heeft vervuld en de omstandigheid dat appellant de ernst van zijn gedragingen niet inziet, is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf niet onevenredig is aan het plichtsverzuim. Dat appellant een lange staat van dienst heeft en nog slechts een korte tijd tot zijn pensionering had te gaan, maakt dat niet anders.

2.8. Appellant heeft zich beroepen op vier volgens hem vergelijkbare gevallen waarin niet tot het verlenen van een strafontslag is overgegaan. De Raad is echter niet kunnen blijken dat de door appellant genoemde gevallen vergelijkbaar zijn.

3. Uit het bovenstaande vloeit voort dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard. Het besluit van 12 december 2007 houdt daarom stand.

4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) I. Mos.

HD