Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-2936 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Niet betaald parkeren door toezichthouder. Met de rechtbank is de Raad (...) van oordeel dat appellante bewust de kans op een bekeuring heeft verkleind door de Park-line-pas zichtbaar achter de voorruit van haar auto neer te leggen. Appellante kon als een gewaarschuwde mens gelden. Uit de gedingstukken is de Raad namelijk gebleken dat vanaf 2005, nadat zich een vergelijkbaar incident had voorgedaan, veel aandacht is besteed aan de ambtelijke integriteit binnen de gemeente en met name binnen het bureau Toezicht, hetgeen heeft geleid tot een aangescherpt handhavings- en seponeringsbeleid. Dat beleid is regelmatig aan de orde gesteld in werkoverleggen en in functionerings-gesprekken met appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/28

Uitspraak

08/2936 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 april 2008, 07/5582 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Gerrits, advocaat te Nijmegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.M. de Ruiter en E.W.J. Bens, beiden werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als toezichthouder bij het bureau Toezicht van de gemeente Nijmegen. Op 5 februari 2007 heeft appellante vóór aanvang van haar werkzaamheden rond 9.00 uur haar auto geparkeerd op de [naam straat] te Nijmegen. Omdat zij daarvoor geen parkeerbelasting heeft betaald is zij die dag rond 16.00 uur bekeurd. In verband daarmee heeft het college appellante bij besluit van 21 juni 2007 op grond van artikel 8:13 in verbinding met artikel 16:1:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen met ingang van 1 juli 2007 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij het bestreden besluit van 22 november 2007 heeft het college het ontslagbesluit na door appellante gemaakte bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Aan het gehandhaafde ontslagbesluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante op 5 februari 2007 zonder te betalen haar auto heeft geparkeerd in een gebied waar zij op die dag zelf zou controleren als toezichthouder. Voorts heeft het college appellante verweten dat zij toen door een zogeheten Park-line-pas achter de voorruit van haar auto te leggen, de indruk heeft gewekt voor het parkeren wel te hebben betaald. Daarbij acht het college van belang dat appellante wist dat het zogeheten team buitengebieden, dat onder meer controleert op de [naam straat], niet beschikt over de apparatuur om de pas op betaling te controleren. Dat het college dit verwijt ten aanzien van het gebruik van de Park-line-pas op de zitting bij de rechtbank zou hebben laten vallen, zoals appellante heeft gesteld, is de Raad niet gebleken.

3.2.1. Voor de Raad is voldoende vast komen te staan dat appellante op 5 februari 2007 haar auto zonder daarvoor te hebben betaald heeft geparkeerd in een gebied, waar zij verwachtte die dag zelf dienst te doen als toezichthouder. Weliswaar wist appellante op het moment dat zij haar auto parkeerde niet met zekerheid of de [naam straat] die dag wel tot haar controlegebied zou behoren, maar toen zij dat na het appèl om 9.00 uur wel wist, heeft zij haar auto niet verplaatst naar een gebied waar onbetaald geparkeerd mag worden. Evenmin heeft zij toen, eventueel met geleend geld, alsnog het parkeergeld voldaan. Door die dag geen parkeerbelasting te betalen heeft appellante de regels overtreden die ze als toezichthouder dient te handhaven.

3.2.2. Voorts is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellante bewust de niet door haar geactiveerde Park-line-pas zichtbaar achter de voorruit heeft neergelegd om daarmee de indruk te wekken wel parkeergeld te hebben betaald. De stelling van appellante dat de pas al sinds de uitreiking daarvan, anderhalf jaar daarvoor, ongemerkt en ongebruikt achter de voorruit van haar auto heeft gelegen omdat zij niet wist hoe de pas moest worden geactiveerd, komt de Raad zeer ongeloofwaardig voor. Met het college is de Raad van oordeel dat van een parkeertoezichthouder verwacht mag worden op de hoogte te zijn van de betalingsprocedure met een dergelijke pas, temeer nu het eveneens tot haar werkzaamheden behoort dergelijke passen op betaling te controleren. Ter zitting heeft appellante ook erkend dergelijke controles te hebben uitgevoerd.

3.2.3. Aangezien appellante werkzaam was in het team buitengebieden, dat onder meer de [naam straat] controleerde, wist zij dat de leden van dat team niet waren uitgerust met apparatuur om na te gaan of daadwerkelijk parkeergeld via haar Park-line-pas was betaald. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellante bewust de kans op een bekeuring heeft verkleind door de Park-line-pas zichtbaar achter de voorruit van haar auto neer te leggen.

Dat zij uiteindelijk op 5 februari 2007 toch is bekeurd, is louter toeval geweest; vanwege onvoorziene omstandigheden zijn die dag namelijk twee toezichthouders van het team Centrum ingezet bij een controle in het buitengebied. Deze medewerkers hadden wel de beschikking over een telefoon om betalingen via de Park-line-pas te controleren. Ook voor de Raad is voldoende aannemelijk dat appellante een dergelijke - onverwachte - controle niet heeft kunnen voorzien.

3.3. Gezien het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen en dat dit ernstig plichtsverzuim oplevert. Nu voorts niet is gebleken dat die gedragingen niet ten volle aan appellante kunnen worden toegerekend was het college bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

3.4. Voorts is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en ernst van het verweten plichtsverzuim.

3.4.1. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante als een gewaarschuwde mens kon gelden. Uit de gedingstukken is de Raad namelijk gebleken dat vanaf 2005, nadat zich een vergelijkbaar incident had voorgedaan, veel aandacht is besteed aan de ambtelijke integriteit binnen de gemeente en met name binnen het bureau Toezicht, hetgeen heeft geleid tot een aangescherpt handhavings- en seponeringsbeleid. Dat beleid is regelmatig aan de orde gesteld in werkoverleggen en in functionerings-gesprekken met appellante.

Toen appellante in 2006 vervolgens heeft getracht een haar opgelegde bekeuring wegens onbetaald parkeren te doen seponeren, heeft het college haar bij brief van 14 december 2006 (per abuis voor de tweede keer het voornemen) kenbaar gemaakt haar de disciplinaire maatregel van verlaging van bezoldiging gedurende een jaar op te leggen. Daarbij is appellante tevens gewaarschuwd dat bij herhaling van dergelijk gedrag zwaardere maatregelen zouden worden getroffen. Aan de ernst van deze waarschuwing doet naar het oordeel van de Raad niet af dat appellante - wat daar verder ook van zij - ervan uit is gegaan dat sprake was van een (tweede) voornemen tot het opleggen van de sanctie en nog niet van een strafbesluit. Kort nadien heeft appellante zich schuldig gemaakt aan het thans in geding zijnde plichtsverzuim, dat in dezelfde lijn ligt als het haar in 2006 verweten plichtsverzuim.

3.4.2. De Raad is voorts met het college van oordeel dat appellante heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat appellante daardoor het in haar te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en aldus aan haar eigen aanzien schade heeft toegebracht.

Dat appellante uiteindelijk de haar opgelegde bekeuring wegens onbetaald parkeren op 5 februari 2007 wel heeft voldaan doet naar het oordeel van de Raad niet af aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Zij was toen bovendien al aangesproken op de thans aan de orde zijnde verweten gedragingen.

4. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep van appellante niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslssing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW

1510