Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-2753 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen herplaatsing mogelijk. Eervol ontslag. Procesbelang. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat appellante geen procesbelang heeft bij het onderhavige (hoger) beroep. Appellante beoogt met het beroep ongedaanmaking van het ontslag en hernieuwde tewerkstelling bij het ministerie van Defensie. Zij heeft in dit verband onder meer naar voren gebracht dat de staatssecretaris is overgegaan tot ontslag zonder dat een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij zich voelt aangetast in haar eer en goede naam.De enkele omstandigheid dat appellante per 1 juni 2007 een betrekking buiten het ministerie van Defensie heeft aanvaard, brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat het belang bij de beoordeling van het ontslagbesluit verloren is gegaan. Het geheel aan activiteiten overziende is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het verrichte herplaatsingsonderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellante geen concrete herplaatsingsactiviteiten heeft genoemd die hadden kunnen leiden tot plaatsing op een functie binnen het ministerie van Defensie en die door de staatssecretaris achterwege zijn gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2753 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 april 2008, 07/8655 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2009. Namens appellante is verschenen mr. C.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij het ministerie van Defensie als senior administratief medewerker bij de afdeling Personeel & Organisatie Management Ondersteuning (hierna: POMO). In verband met de voorgenomen opheffing van POMO is appellante in de gelegenheid gesteld een groeitraject te volgen dat tot plaatsing in de functie van assistent P&O-adviseur (hierna: APOA) zou moeten leiden. Bij besluit van 24 november 2004 is aan appellante meegedeeld dat zij niet geschikt werd geacht voor de functie van APOA en is aan haar, vanwege de opheffing per 1 november 2004 van haar functie bij POMO, per 1 december 2004 de status van herplaatsingskandidaat toegekend. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 september 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 8 december 2006, 05/7392, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd bij de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 25 september 2008 (LJN BF8479).

1.2. Bij besluit van 11 januari 2007 heeft de staatssecretaris aan appellante per 7 mei 2007 wegens overtolligheid eervol ontslag verleend op grond van artikel 116 van het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie. Hierbij is aangegeven dat noch het interne herplaatsingsonderzoek noch het externe herplaatsingsonderzoek een concrete functie heeft opgeleverd. Bij besluit van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante met het instellen van het beroep niet meer kan bereiken wat zij hiermee heeft beoogd, namelijk een verlenging van de herplaatsingstermijn. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat appellante per 1 juni 2007 een nieuwe betrekking heeft aanvaard en dat daarom verlenging van de herplaatsingstermijn geen feitelijke betekenis meer voor haar zou hebben. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat appellante schade heeft geleden zodat zij ook geen financieel belang heeft bij een beoordeling van het beroep.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat appellante geen procesbelang heeft bij het onderhavige (hoger) beroep. Appellante beoogt met het beroep ongedaanmaking van het ontslag en hernieuwde tewerkstelling bij het ministerie van Defensie. Zij heeft in dit verband onder meer naar voren gebracht dat de staatssecretaris is overgegaan tot ontslag zonder dat een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat zij zich voelt aangetast in haar eer en goede naam. De enkele omstandigheid dat appellante per 1 juni 2007 een betrekking buiten het ministerie van Defensie heeft aanvaard, brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat het belang bij de beoordeling van het ontslagbesluit verloren is gegaan. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. De zaak is ter zitting van de Raad inhoudelijk aan de orde gesteld en behoeft naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling meer door de rechtbank. De Raad zal de zaak daarom zonder terugwijzing naar de rechtbank zelf afdoen.

4.2. In geschil is of het door de staatssecretaris ingestelde herplaatsingsonderzoek, meer in het bijzonder het interne herplaatsingsonderzoek, voldoende zorgvuldig is geweest. Dienaangaande stelt de Raad allereerst vast dat de staatssecretaris pro-actief heeft gehandeld door appellante voor te bereiden op de plaatsing in de functie van APOA. Nadat was gebleken dat plaatsing in de functie van APOA geen doorgang kon vinden omdat appellante voor deze functie niet geschikt werd bevonden, hebben diverse herplaatsingsactiviteiten plaatsgevonden. Onder meer is aan appellante een aantal interne vacatures voorgehouden, waarop zij heeft gesolliciteerd. Verder is appellante van 29 maart 2005 tot 5 september 2005 gedetacheerd geweest bij het Commando Diensten Centra in de functie van medewerker personeelszaken. In deze periode is de herplaatsingsstatus van appellante opgeschort. Nadat een extern herplaatsingsonderzoek in gang was gezet, heeft appellante opleidingen gevolgd op het gebied van boekhouden. Het geheel aan activiteiten overziende is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het verrichte herplaatsingsonderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellante geen concrete herplaatsingsactiviteiten heeft genoemd die hadden kunnen leiden tot plaatsing op een functie binnen het ministerie van Defensie en die door de staatssecretaris achterwege zijn gelaten.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad ziet in de vernietiging van de aangevallen uitspraak wel aanleiding om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat de staatsecretaris het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) I. Mos.

BvW

1210