Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-2692 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2692 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 2008, 07/4159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J. Ladrak, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ladrak als haar raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij op bezwaar genomen besluit van 1 mei 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 23 oktober 2006 gehandhaafd. Daarbij is de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering met ingang van 25 december 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen geen aanleiding te zien het aan de arbeidsongeschiktheidsschatting van appellante ten grondslag liggende onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig te achten. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts alvorens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen, een psychiatrisch expertiseonderzoek heeft laten verrichten waarbij de beoordelend psychiater tevens de bevindingen van de behandelend psychiater heeft betrokken. De informatie uit het expertiseonderzoek heeft de verzekeringsarts betrokken bij zijn oordeel. Voorts is van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts appellante op de hoorzitting in de bezwaarfase van de besluitvorming heeft gezien, dossieronderzoek heeft verricht en nadere informatie van de behandelend psychiater bij zijn oordeel heeft betrokken.

2.2. Aan de in beroep door appellante overgelegde rapportage van haar behandelend psychiater heeft de rechtbank geen aanknopingspunten ontleend voor het oordeel dat appellante meer beperkt is te achten dan in de FML is vastgelegd. Zij heeft de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat de verzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de mening van de behandelend psychiater. Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies heeft de rechtbank mede om die reden niet noodzakelijk geacht.

2.3. Ten aanzien van de aan appellante door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies heeft de rechtbank geoordeeld, zich daartoe beperkend onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2007, RSV 2007/212, dat deze in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

2.4. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is daarop door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante, onder herhaling van hetgeen in het inleidend beroepschrift en ter zitting van de rechtbank is aangevoerd, zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank haar hiervoor onder 2.2 weergegeven oordeel had moeten motiveren, nu de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende, c.q. op onjuiste wijze, duidelijk heeft gemaakt waarom de op basis van vele contacten tot stand gekomen medische bevindingen van de behandelend zenuwarts gepasseerd dienen te worden.

3.2. Voorts heeft appellante zich erover beklaagd dat uit de beslissing van de rechtbank niet duidelijk wordt waarom, anders dan ter zitting nog besproken, kennelijk in raadkamer er alsnog vanaf is gezien een deskundige te benoemen.

4.1. Het Uwv heeft bij verweerschrift erop gewezen dat niet de diagnose, maar de gevonden beperkingen de mate van arbeidsongeschiktheid mede bepalen. Het in beroep ingezonden rapport van 29 juni 2007 van de behandelend zenuwarts ziet meer op de vraag hoe de diagnose tot stand komt, dan dat dit gaat over de klachten en beperkingen van appellante.

4.2. Het Uwv heeft, onder overlegging van de eigen aantekeningen van het verhandelde ter zitting van de rechtbank, bestreden dat op de zitting is besproken dat een medisch deskundige door de rechtbank zou worden benoemd.

5.1. De Raad leest in het proces-verbaal van de zitting niet dat tot het inwinnen van een medisch deskundigenadvies zou worden overgegaan. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zou worden gedaan. Hetgeen appellante onder 3.2 heeft aangevoerd berust mitsdien op een onjuiste weergave van het verhandelde ter zitting en behoeft om die reden, wat daar verder ook van zij, geen bespreking.

5.2. Hetgeen in het hoger beroepschrift en ter zitting is aangevoerd omtrent de aard en frequentie van de contacten van appellante met haar behandelend zenuwarts geeft de Raad onvoldoende aanwijzingen dat er bij de (bezwaar)verzekeringsarts en de door de verzekeringsarts ingeschakelde zenuwarts niet een duidelijk beeld bestond met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante en haar arbeidsbeperkingen ten tijde in geding. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting valt te ontlenen dat appellante in 2004 acht keer door de behandelend zenuwarts is gezien, in 2005 niet, in 2006 een keer per drie weken en dat de contacten in 2007 bij zijn pensionering zijn afgesloten. De medicatie van appellante is nadien door haar huisarts verzorgd.

5.3. In het hiervoor overwogene ligt al besloten dat de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding ziet voor een nader onderzoek door een medisch deskundige. Daarbij laat de Raad mede wegen dat de door de verzekeringsarts ingeschakelde zenuwarts J.A.H. Koelen, blijkens zijn rapport van 10 mei 2006, op de hoogte was van de bevindingen van de behandelend zenuwarts, inlichtingen had van de huisarts en ook op de hoogte was van het in het kader van een eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op verzoek van het Uwv uitgebrachte rapport van 12 februari 2004 van de psychiater

M. Kazemier. Voorts zijn in de FML beperkingen opgenomen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Uit de voorhanden zijnde medische gegevens vallen geen aanwijzingen te putten dat met die beperkingen niet in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de door appellante ervaren psychische klachten.

5.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

TM