Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
08-991 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Met appellant is de Raad van oordeel dat appellant reeds schade heeft geleden door het enkele feit dat hij niet eerder in de gelegenheid is gesteld van de VROM-regeling gebruik te maken. Aan die schade doet niet af dat appellant uiteindelijk, toen hij daar door de minister alsnog toe in staat werd gesteld, niet heeft gekozen voor een FPU-arrangement, maar voor de door hem op dat moment gunstiger geachte PAS-regeling. Bepalen van periode. Hoogte schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/991 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 december 2007, 05/3358 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2009. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij het Expertisecentrum Arbeidsjuridisch.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Rijksgebouwendienst (Rgd) van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Hij heeft bij brief van 5 december 2004 zijn belangstelling gemeld voor een FPU-arrangement. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hem geen aanbod zal worden gedaan voor een FPU-arrangement. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 november 2005. Appellant heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

1.2. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2006 (LJN AY8130) op de beroepen van twee collega’s van appellant heeft de minister bij nieuwe beslissing op bezwaar van 1 november 2006 het besluit van 29 november 2005 ingetrokken en meegedeeld dat aan appellant, naar analogie van de inmiddels geëxpireerde Tijdelijke Regeling FPU PLUS VROM 2004 (hierna: VROM-regeling), een FPU-arrangement wordt aangeboden. Daarbij is appellant verzocht over de datum van ingang van het FPU-arrangement overleg te voeren met zijn leidinggevende en daarmee bij zijn aanvraag rekening te houden. In aanvulling op het besluit van 1 november 2006 heeft de minister bij besluit van 29 december 2006 ter voorkoming van nodeloos voortslepende procedures een gratificatie van € 12.500,- aangeboden ter verzachting van het feit dat appellant niet op het door hem oorspronkelijk gewenste tijdstip van het FPU-arrangement gebruik heeft kunnen maken. Appellant heeft hierop bij brief van 22 januari 2007 gereageerd.

1.3. Appellant heeft zich vervolgens laten informeren over mogelijke FPU-modaliteiten, zoals deeltijd-FPU. Ondanks aandrang van de zijde van de minister heeft appellant geen FPU-aanvraag ingediend. Uiteindelijk is op verzoek van appellant met toepassing van de PAS-regeling zijn werktijd per 1 januari 2008 teruggebracht van 36 naar 22,75 uur per week.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de minister met zijn besluit van 1 november 2006 materieel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant zijn beroep tegen het besluit van 29 november 2005 heeft ingetrokken, en dat hij aan de rechtbank heeft verzocht de minister met toepassing van artikel 8:73a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat appellant nog geen gebruik heeft gemaakt van het door de minister aangeboden FPU-arrangement. Zolang appellant niet daadwerkelijk met gebruikmaking van een FPU-arrangement met (deeltijd-) ontslag is gegaan kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld of en zo ja, tot welk bedrag appellant schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatige besluitvorming door verweerder welke voor vergoeding in aanmerking komt.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij reeds schade heeft geleden doordat hij niet eerder in de gelegenheid is gesteld van de VROM-regeling gebruik te maken. Dat op een later moment toepassing van een gunstiger regeling (de PAS-regeling) mogelijk bleek doet niet af aan de schade die tenminste tot dat moment geleden is. Hij heeft verzocht hem schadevergoeding toe te kennen ten bedrage van de FPU-uitkeringen die hij ontvangen zou hebben indien de vertraging niet was ontstaan. Hij heeft deze schade becijferd op € 17.799,20. Subsidiair heeft hij verzocht om uitbetaling van de destijds aangeboden compensatie van € 12.500,-.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Met appellant is de Raad van oordeel dat appellant reeds schade heeft geleden door het enkele feit dat hij niet eerder in de gelegenheid is gesteld van de VROM-regeling gebruik te maken. Aan die schade doet niet af dat appellant uiteindelijk, toen hij daar door de minister alsnog toe in staat werd gesteld, niet heeft gekozen voor een FPU-arrangement, maar voor de door hem op dat moment gunstiger geachte PAS-regeling.

4.2. De door de minister te vergoeden schade kan naar het oordeel van de Raad slechts betrekking hebben op de periode vanaf het moment dat de minister in 2005 redelijkerwijs had kunnen beslissen over een door appellant gedane FPU-aanvraag (schattenderwijs door de Raad bepaald op 1 april 2005) en het moment waarop, na een tijdige aanvraag volgend op het besluit van 1 november 2006 een door de minister alsnog toegekend FPU-arrangement redelijkerwijs had kunnen ingaan (schattenderwijs door de Raad bepaald op 1 april 2007). De schadevergoeding heeft derhalve betrekking op een periode van twee jaren.

4.3. Bij het bepalen van de schade zal de Raad voorts in aanmerking nemen dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft verklaard, reeds toen hij in december 2004 zijn belangstelling kenbaar maakte voor een FPU-arrangement, een deeltijd-FPU van twee dagen per week voor ogen stond.

4.4. Wat betreft de aard van de voor vergoeding in aanmerking komende schade overweegt de Raad, in navolging van hetgeen de Raad eerder, in de aan partijen bekende uitspraak van de Raad in een vergelijkbaar geding (CRvB 2 april 2009, LJN BI1721) heeft overwogen, dat de gemiste uitkeringen op zichzelf niet zijn aan te merken als financiële schade, die appellant heeft geleden ten gevolge van het gedurende twee jaar onrechtmatig aan appellant onthouden FPU-arrangement. Appellant zou immers bij een FPU-arrangement vanaf 1 april 2005 tot 1 april 2007 vanwege de toepasselijke anticumulatieregel geen hoger inkomen hebben kunnen bereiken dan het bedrag van zijn volle bezoldiging.

4.5. Wel acht de Raad vergoedbaar de schade die appellant heeft geleden door de gedurende twee jaar op twee dagen per week gemiste vrije tijd, waardoor appellant de gelegenheid is onthouden om die tijd te besteden aan door hem te bepalen ontplooiingsmogelijkheden of andere activiteiten. De Raad acht in de lijn van de onder 4.4 genoemde uitspraak een bedrag van € 4.400,- in dit geval een redelijke vergoeding voor deze schade. De Raad overweegt daarbij nog, dat aan het bedrag van €12.500,-, dat destijds aan appellant als compensatie is aangeboden, thans geen betekenis meer toekomt, nu dat bedrag onderdeel uitmaakte van een schikkingsaanbod, waarop appellant niet is ingegaan.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen kent de Raad aan appellant een schadevergoeding toe van € 4.400,-.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade als in overweging 5 is uiteengezet;

Bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 352,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) I. Mos.

BvW