Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
02-11-2009
Zaaknummer
08-1709 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor zijn eigen dan wel enige andere functie binnen de gemeente Waalwijk. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat er reeds vanaf het begin van zijn aanstelling sprake is geweest van spanningen en conflicten tussen appellant en zijn collega’s en leidinggevenden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant blijk gegeven heeft van onvoldoende gevoel voor sociale verhoudingen in de samenwerking met collega’s en leiding en dat zijn houding zich kenmerkte door het voortdurend aangaan van een territorium- en competentiestrijd en door in veelal ongepaste bewoordingen geuite kritiek op anderen, gepaard aan onvermogen om kritiek van anderen te accepteren en daarvan te leren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/29

Uitspraak

08/1709 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 februari 2008, 07/550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Visser, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is op 1 januari 1999 in het kader van het Besluit In- en Doorstroombanen in dienst getreden bij de gemeente Waalwijk als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling]. Met ingang van 1 januari 2000 heeft hij een vaste aanstelling gekregen. Per 1 december 2003 werd appellant, tezamen met de andere [naam functionarissen], gedetacheerd bij de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde arbeid, activering en trajecten [naam traject] (hierna: WML). De detachering van appellant is wegens een conflict tussen appellant en de leiding van WML beëindigd op 9 december 2004. In maart 2006 is een re-integratietraject voor appellant gestart door Randstad Rentree. Op 19 mei 2006 heeft Randstad Rentree de begeleiding gestaakt vanwege de houding van betrokkene.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft het college appellant met ingang van 1 september 2006 op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO ontslag verleend wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor zijn eigen dan wel enige andere functie binnen de gemeente Waalwijk. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 december 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, gesteld dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder appellant moest functioneren. De problemen met de leiding lagen niet alleen aan appellant, maar ook aan de leidinggevenden. Voorts is een overtrokken beeld geschetst van “regelmaat en voortduring van conflicten en incidenten” rond de persoon van appellant. Daarbij is te weinig rekening gehouden met het feit dat het hier gaat om een “buitengewone” dienstbetrekking en met het feit dat appellant zijn werk goed deed. Het re-integratietraject is te snel afgebroken, aldus appellant. Het college heeft tegen de stellingen van appellant gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat er reeds vanaf het begin van zijn aanstelling sprake is geweest van spanningen en conflicten tussen appellant en zijn collega’s en leidinggevenden. Reeds kort na zijn aanstelling, in april 1999, hebben zeven collega’s zich schriftelijk over appellant beklaagd. De reeks van conflicten, incidenten en daaropvolgende gesprekken over gedrag en houding van appellant wordt uitvoerig beschreven door de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad verwijst daarnaar.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant blijk gegeven heeft van onvoldoende gevoel voor sociale verhoudingen in de samenwerking met collega’s en leiding en dat zijn houding zich kenmerkte door het voortdurend aangaan van een territorium- en competentiestrijd en door in veelal ongepaste bewoordingen geuite kritiek op anderen, gepaard aan onvermogen om kritiek van anderen te accepteren en daarvan te leren.

4.3. Uit de gedingstukken kan de Raad niet afleiden dat de problemen die appellant telkens weer opriep vooral aan de leidinggevenden geweten moeten worden. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de eerste leidinggevende door zijn autoritaire optreden de juiste aanpak miste, dan is daarmee nog niet verklaard dat ook onder andere leidinggevenden, met een heel andere aanpak, vergelijkbare problemen met appellant ontstonden.

4.4. Evenmin kan de Raad appellant volgen in zijn stelling dat een overtrokken beeld zou zijn geschetst van de problemen met appellant. Ook indien er rekening mee wordt gehouden dat het hier, zoals namens appellant is gesteld, gaat om een “buitengewone” dienstbetrekking - waarmee kennelijk wordt gedoeld op de minder gepolijste omgangsvormen die binnen de doelgroep van in- en doorstromers gebruikelijk zouden zijn -, dan nog moet met de rechtbank worden vastgesteld dat appellant zich door zijn gedrag en houding zo ver buiten de groep heeft geplaatst dat zijn positie bij de [naam functionarissen] onhoudbaar was geworden. Die onhoudbaarheid blijkt naar het oordeel van de Raad overduidelijk uit het verslag van de bijeenkomst met collega’s en leidinggevenden van 8 december 2004. Uit dat verslag rijst enerzijds het beeld op dat meerdere collega’s ernstige problemen hadden met de negatieve houding, ongepaste uitlatingen, dominantie en frustraties van appellant, terwijl appellant zich in dit beeld niet herkent. Daarnaast blijkt uit het verslag dat appellant niet bereid was zich te conformeren aan de uitbreiding van het takenpakket van de [naam functionarissen], waardoor hij ook de leiding van WML definitief van zich vervreemdde, hetgeen resulteerde in de beëindiging van zijn detachering bij WML.

4.5. De Raad is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant, met name wat betreft de voor zijn werk essentiële omgangsvormen met collega’s en leidinggevenden, de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist om zijn functie op de juiste wijze te vervullen. Daaraan doet niet af dat appellant in zijn beroepsmatige contacten met het publiek kennelijk geen problemen had. Appellant heeft zich niet beroepen op ziekte of gebrek, waaraan een en ander zou zijn toe te schrijven.

4.6. Het college was dan ook naar het oordeel van de Raad bevoegd appellant te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziekte en gebreken. De Raad stelt voorts vast dat het college niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht was een herplaatsingsonderzoek te verrichten alvorens over te gaan tot ontslag. Niettemin heeft het college aan appellant een trajectbegeleiding door Randstad Rentree aangeboden. Dit traject is vanwege de onacceptabele opstelling van appellant jegens zijn begeleidster voortijdig afgebroken. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het college niet gehouden was tot verdere herplaatsingsinspanningen jegens appellant. Ook overigens is de Raad niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant te ontslaan.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW