Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
07-6312 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheden van dit geval voldoende aanleiding vormden om te concluderen tot een impasse. Omdat appellant, door te weigeren alsnog op een coöperatieve manier mee te werken aan het externe bemiddelingstraject verantwoordelijk was voor de ontstane impasse, heeft het college zich op goede gronden bevoegd geacht aan appellant (...) ontslag te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6312 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 8 oktober 2007, 06/3955 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. Waardenburg, advocaat te Zoetermeer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. Boes-Kouwenoord en J.Kuiper, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam in de functie van [naam functie]. In augustus 1996 heeft appellant een geweldsincident tijdens het werk ondervonden. Daarna is appellant meerdere keren uitgevallen voor zijn werk wegens ziekte. De bedrijfsarts heeft appellant in januari 2000 blijvend arbeidsongeschikt geacht voor zijn functie. Appellant heeft in april 2000 aan het college verzocht om schadevergoeding in verband met het geweldsincident. Het college heeft dat verzoek niet toegewezen. Hierover hebben partijen geprocedeerd, wat is afgesloten met een uitspraak van de Raad van 1 juli 2004 (LJN: AP8082). Inmiddels verschilden partijen van mening over de vraag of appellant medisch gezien in staat was om mee te werken aan re-integratieactiviteiten, gericht op bemiddeling naar een andere functie. Dit heeft erin geresulteerd dat eerst in september 2004 de re-integratieactiviteiten ter hand zijn genomen. Het college heeft het bureau Lytton opdracht gegeven tot het uitvoeren van een bemiddelingstraject. Op verzoek van appellant is vervolgens een ander bureau, Tempo team HR Solutions, aangezocht om dat traject uit te voeren. Ten slotte heeft appellant verzocht om het bureau Dijk & Van Emmerik in te schakelen, hetgeen het college heeft gedaan. In een brief van 17 maart 2005 heeft appellant lopende het bemiddelingstraject, aan het college bericht dat hij denkt weer terug te kunnen naar zijn oude werk. Het college deelt die opvatting niet en vindt dat appellant gehouden is om met het ingezette bemiddelingstraject door te gaan. Tussen partijen is over de inzetbaarheid van appellant in zijn oude werk en over de continuering van het bemiddelingstraject, onenigheid ontstaan. Uiteindelijk heeft het college bij besluit van 5 oktober 2005 aan appellant op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) met ingang van 1 mei 2006 ontslag verleend wegens incomptabilité. Het college heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 juni 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op zowel appellant als het college de verplichting rustte om zich in te spannen voor externe herplaatsing. Omdat appellant heeft vastgehouden aan een terugkeer naar zijn eigen werk en slechts onder protest mee wilde werken aan externe re-integratie, is een patstelling ontstaan. Deze patstelling was voor het college voldoende aanleiding om te concluderen tot een verstoorde arbeidsrelatie.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door het college in dit geval gehanteerde bepaling uit het ARA, te weten artikel 1122, aanhef en onder d, de grondslag biedt voor een ontslag op zogenoemde “andere gronden”, en kan worden toegepast bij onherstelbaar verstoorde verhoudingen en in andere uitzichtloze situaties.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheden van dit geval voldoende aanleiding vormden om te concluderen tot een impasse. Daartoe weegt de Raad het volgende mee. In het rapport van oktober 2004 van het bureau Lytton staat verwoord dat zowel het college als appellant vinden dat het tijd is voor een traject naar ander werk. In het rapport staat vermeld:

‘Gezien de verstoorde relatie tussen werkgever en werknemer zijn beiden van mening dat een functie bij de Sociale Dienst Amsterdam geen reële optie meer is voor reïntegratie. Ook de bedrijfsarts deelt deze mening. Een “kantoorfunctie” bij een andere organisatie ligt het meest voor de hand om in te reïntegreren.’.

Een afschrift van het rapport van Lytton is aan appellant gestuurd. Hij heeft op de hiervoor aangehaalde weergave geen reactie gegeven. Het college mocht er daarom op vertrouwen dat met instemming van beide partijen het traject tot externe bemiddeling was ingezet. Op verzoek van appellant heeft het college zelfs opeenvolgend twee andere bemiddelingsbureaus ingeschakeld. Onder die omstandigheden mocht het college van appellant verwachten dat hij loyaal zou meewerken aan het externe bemiddelingstraject en dat hij zich niet meer zou richten op terugkeer naar zijn oude werk. De Raad is op grond van de gedingstukken echter niet kunnen blijken van een loyale opstelling van appellant. Appellant heeft zich immers in zijn brief van 22 juni 2005 op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden was tot meewerken aan re-integratie naar andere werkzaam-heden zolang er geen medisch oordeel over zijn arbeidsongeschiktheid voorhanden is. Onder handhaving van zijn aanspraak op terugkeer naar zijn oude werk, heeft hij aan-gegeven zich genoodzaakt te voelen om onder protest voorlopig zijn medewerking aan het herplaatsingtraject te geven. Appellant was er echter van op de hoogte dat het standpunt van het college dat appellant beter niet kon terugkeren naar zijn oude werk werd onderschreven door de bedrijfsarts, zoals blijkt uit de voortgangsverslagen van 6 juni 2005 en 26 juli 2005.

4.2. Omdat appellant, door te weigeren alsnog op een coöperatieve manier mee te werken aan het externe bemiddelingstraject verantwoordelijk was voor de ontstane impasse, heeft het college zich op goede gronden bevoegd geacht aan appellant met toepassing van artikel 1122, aanhef en onder d, van het ARA ontslag te verlenen.

5. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD

09.10