Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-5935 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Intrekking WAO-uitkering met toepassing van het Schattingsbesluit 2004 leidt niet tot strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. De door appellante overgelegde gegevens van algemene aard over verschillen in gehanteerde loonwaarden tussen bepaalde Uwv-kantoren en over de CAO Thuiszorg zijn onvoldoende om de Raad ervan te kunnen overtuigen dat de loonwaarden van de aan appellante voorgehouden functies niet overeenkomen met de werkelijkheid. Geen verbod van reformatio in peius. Juiste medische onderbouwing besluit. Deugdelijke toelichting geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5935 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 augustus 2008, 07/522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [W.] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 3 februari 2009, 23 februari 2009, 5 maart 2009, 15 juni 2009 en 30 juli 2009 heeft appellante aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Voor appellante zijn verschenen [v.d. B.] en [W.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voorheen werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is gegrond verklaard bij besluit van 10 mei 2007 (het bestreden besluit). Daarbij is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 15 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, en is de uitkering met ingang van 11 juli 2007 ingetrokken, onder de overweging dat appellante per laatstgenoemde datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat het Uwv had erkend dat de besluitvorming in de bezwaarprocedure niet zorgvuldig was geweest. De rechtsgevolgen van het besluit zijn in stand gelaten, omdat de rechtbank het besluit inhoudelijk juist heeft geacht.

3. Appellante heeft – kort samengevat weergegeven – in hoger beroep algemene gronden aangevoerd, gericht tegen de systematiek van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in zijn algemeenheid en tegen de toepassing van het op 1 oktober 2004 in werking getreden aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit 2004), en op haar geval toegespitste gronden aangevoerd. Die laatste gronden zien erop dat het Uwv volgens appellante haar medische beperkingen heeft onderschat en dat de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, ongeschikt zijn voor appellante. Daarnaast heeft appellante betoogd dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met het zogeheten verbod van reformatio in peius, omdat zij door het maken van bezwaar in een slechtere positie is gekomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de algemene beroepsgronden van appellante niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank daarover en voegt daar het volgende aan toe. In zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561) heeft de Raad al geoordeeld dat een intrekking van een WAO-uitkering met toepassing van het Schattingsbesluit 2004 niet leidt tot strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbij ook is betrokken de door appellante genoemde proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Wat betreft de stelling van appellante dat in dit verband ook sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en artikel 14 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312), waaruit volgt dat die stelling ook in dit geval moet worden verworpen.

4.2. Het betoog van appellante dat het Uwv bij beoordeling van de arbeidsongeschiktheid ten onrechte, althans op onjuiste wijze gebruik maakt van de zogenoemde normaalwaarden, neergelegd in het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS), treft geen doel, gelet op de uitspraak van de Raad van 5 december 2008 (LJN BG5758). Voor zover appellante erop wijst dat de normaalwaarden te hoog zijn vastgesteld, merkt de Raad op dat hij in genoemde uitspraak heeft overwogen dat door het Uwv voldoende was toegelicht dat de normaalwaarden op een laag niveau zijn vastgesteld en dat het overigens geen verschil maakt of deze normaalwaarden op onderdelen iets hoger of iets lager zouden moeten worden vastgesteld. Ook de stelling dat het CBBS ondeugdelijk is en dat de loonwaarden van de geselecteerde functies in het CBSS te hoog zijn, kan niet worden gevolgd, zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 25 januari 2008 (LJN BC3086). De door appellante overgelegde gegevens van algemene aard over verschillen in gehanteerde loonwaarden tussen bepaalde Uwv-kantoren en over de CAO Thuiszorg zijn onvoldoende om de Raad ervan te kunnen overtuigen dat de loonwaarden van de aan appellante voorgehouden functies niet overeenkomen met de werkelijkheid.

4.3. Het beroep van appellante op het verbod van reformatio in peius gaat niet op. Volgens vaste rechtspraak – waaronder de uitspraak van de Raad van 15 juli 2005 (LJN AT9802) waarnaar ook door appellante is verwezen in haar brief van 5 maart 2009 – is het in een geval als hier aan de orde toelaatbaar dat appellante in de bezwaarschriftprocedure in een nadeliger positie is komen te verkeren dan voor het instellen van bezwaar. Anders dan appellante kennelijk meent, volgt uit genoemde uitspraak van 15 juli 2005 niet dat zij voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit opnieuw had moeten worden gehoord. Wel moet een betrokkene onder omstandigheden in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op een nader door het Uwv ingenomen standpunt, om te voorkomen dat hij op ontoelaatbare wijze wordt beperkt in zijn verweermogelijkheden. Die gelegenheid heeft appellante in dit geval gehad.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit toereikend is en dat de beperkingen van appellante juist zijn weergegeven. Daarbij is van belang dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 8 maart 2007 voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom hij (deels) tot andere conclusies is gekomen dan de verzekeringsarts en dat hij aan zijn bevindingen een expertise van de orthopedisch chirurg H.A.F. Luning van 12 februari 2007 ten grondslag heeft gelegd, waarin op begrijpelijke wijze wordt uiteengezet dat bij appellante geen sprake is van de ziekte van Bechterew. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, kunnen ondersteunen. De door appellante overgelegde gegevens met betrekking tot een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per 18 oktober 2007, waarbij appellante volledig arbeidsongeschikt is bevonden, leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de medische situatie op 15 augustus 2006 en 11 juli 2007, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 13 juli 2009, onder verwijzing naar een brief van Luning van 22 juni 2009, deugdelijk beargumenteerd dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen van de verzekeringsarts om appellante volledig arbeidsongeschikt te achten.

4.5. In de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 maart 2007 en 26 maart 2007 is toegelicht dat de geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, geschikt zijn voor appellante. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat die toelichting deugdelijk is.

4.6. De aangevallen uitspraak komt dus, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen reden om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK