Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-4875 WMO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een robotarm ten behoeve van de door appellant aangeschafte auto. Zoals de Raad reeds eerder met betrekking tot de uitvoering van de Wvg heeft overwogen - zie de uitspraken van 19 december 1997, LJN ZB7387, en 19 december 2001, LJN AL1343 - mag een gemeentebestuur, in het geval dat een gehandicapte slechts onder begeleiding gebruik kan maken van een bepaalde vorm van vervoer, er in beginsel van uitgaan dat de gehandicapte zelf voor de nodige begeleiding zorg draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen, met name als van de kant van de betrokkene aannemelijk wordt gemaakt dat zijn- of harerzijds niet dan wel slechts tegen substantiële meerkosten voor begeleiding voor verplaatsingen in de directe omgeving gezorgd kan worden, dient het gemeentebestuur zijn besluitvorming over een aangevraagde vervoersvoorziening af te stemmen op het feitelijk blijkende tekort aan begeleiding. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van zo’n uitzonderingssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4875 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 juli 2008, 07/3454 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M.P. van Zandvoort, advocaat te Lith, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.P.G. Gielis, kantoorgenoot van mr. Van Zandvoort. Voor het College zijn verschenen P.H. Kortekaas en mr. R.J.L. Brauwers, beiden werkzaam bij de gemeente Oss.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is als gevolg van een neurologische aandoening volledig rolstoelafhankelijk; tevens zijn er functiebeperkingen van de linker arm/hand tengevolge van een amputatie. Op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) zijn hem een handbewogen rolstoel voor binnen en een elektrische rolstoel voor buiten toegekend. Voorts beschikt hij over een voetenzak voor vervoer per elektrische rolstoel op koude dagen. Appellant heeft de beschikking over 22 uur hulp per week. De hulp bewoont de bovendieping van zijn woning. Onder vigeur van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet ( AAW) is hem destijds door de bedrijfsvereniging een bruikleenbus verstrekt. In deze bus werd appellant zittend in zijn rolstoel als passagier vervoerd. Toen deze bus technisch was afgeschreven heeft appellant het College op grond van de Wvg verzocht om toekenning van een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een eigen auto en de kosten van aanpassing ervan. Het College heeft bij besluit van 4 augustus 2004 een forfaitaire vergoeding voor de aanschaf van een auto tot een bedrag van € 5.259,42 en een bijdrage in de kosten van aanpassing van die auto tot een bedrag van € 7.719,50 toegekend. Een bijdrage voor het meerdere van de kosten is in dat besluit afgewezen. Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het College het tegen het besluit van 4 augustus 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het College was appellant met het hem toegekende bedrag in staat om een auto aan te schaffen en zich (als passagier) per eigen auto te vervoeren zodat hij in voldoende mate kan deelnemen aan het leven van alledag. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Appellant heeft in 2004 een eigen auto aangeschaft en deze laten aanpassen.

1.2. Op 22 maart 2007 heeft appellant bij het College een aanvraag ingediend voor een robotarm ten behoeve van de door hem in 2004 aangeschafte auto. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 19 april 2007 afgewezen.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 19 april 2007 bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat het voor hem steeds vaker ondoenlijk is om begeleiders beschikbaar te hebben voor het vervoer naar onder meer de huisarts, het ziekenhuis, de kerk, winkelen, gehandicaptenbijeenkomsten etcetera. Een robotarm stelt hem in staat om de rolstoel in en uit de auto te tillen zonder afhankelijk te zijn van anderen.

2. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2007 met toepassing van de Wvg en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Oss 2006 (hierna: Verordening) ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat het niet verantwoordelijk is voor het vinden van begeleiders. Het is verder van mening dat het met de toekenning van de forfaitaire tegemoetkomingen in het jaar 2004 voor vijf jaar van zijn zorgplicht ontslagen is. Van onbillijkheden van overwegende aard om toch een voorziening te verstrekken is niet gebleken.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 september 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn op de aanvraag van 22 maart 2007, gezien artikel 40 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo), de Wvg en de Verordening van toepassing. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding geven om met toepassing van de hardheidsclausule ten gunste van appellant af te wijken van artikel 3.1, zevende lid, van de Verordening. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem, anders dan in 2005, niet meer mogelijk is om voldoende begeleiding bij het vervoer te vinden. Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een gehandicapte die de beschikking krijgt of heeft over een vervoersvoorziening, zelf verantwoordelijk is voor het vinden van eventuele noodzakelijke adequate begeleiding.

3.1. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat begeleiding bij het vervoer nauwelijks of niet voorhanden is. Door zijn handicap heeft appellant een beperkte kring van personen waarop hij een beroep kan doen. Daardoor moet hij telkens een beroep doen op dezelfde personen die in de praktijk niet of nauwelijks beschikbaar zijn omdat zij hun eigen dagelijkse bezigheden hebben. Zonder hulp kan appellant echter geen gebruik maken van zijn auto omdat er dan niemand is om de rolstoel in- en uit de auto te plaatsen.

3.2. Het College heeft gepersisteerd bij zijn standpunt dat appellant zelf een oplossing moet zien te vinden voor het begeleidingsprobleem.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toepasselijk recht

4.1.1. Artikel 40 van de Wmo luidt als volgt:

“1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat: (…)

d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet. (…)”

4.1.2. De raad van de gemeente Oss heeft bij besluit van 21 juni 2007 de Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2008 vastgesteld. Dit betekent dat op aanvragen voor een vervoersvoorziening als de onderhavige, gelet op artikel 40, eerste lid, van de Wmo, tot 21 september 2007 de Wvg van toepassing is gebleven. Daarmee is gegeven dat op de aanvraag van 22 maart 2007 de Wvg van toepassing is.

Inhoudelijk

4.2.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Oss, daaraan uitvoering gevende, de Verordening heeft vastgesteld.

4.2.2. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, onder c sub 1, van de Verordening kan de door het College te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een tegemoetkoming in de kosten van de aanpassing van een eigen auto.

4.2.3. Ingevolge artikel 3.1, derde lid onder b, van de Verordening kan aan de gehandicapte die, vanwege het feit dat hij volledig rolstoelgebonden is en in alle verplaatsingen afhankelijk is van een rolstoel en daardoor niet in aanmerking komt voor een scootermobiel of gesloten buitenwagen, doch wel in staat is zelfstandige transfers te maken en dientengevolge niet uitsluitend is aangewezen op zittend vervoer, een forfaitair bedrag worden verstrekt, alsmede de kosten van een autoaanpassing, indien de gehandicapte aan een aantal in dit artikel opgesomde voorwaarden voldoet.

4.2.4. Artikel 3.1, zevende lid, van de Verordening bepaalt dat verstrekking van een forfaitair bedrag als bedoeld in het derde lid van dat artikel als gevolg heeft dat de gemeente, voor wat de overige vervoersvoorzieningen betreft, ten aanzien van de gehandicapte voor de komende vijf jaar aan haar zorgplicht heeft voldaan, met uitzondering van de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto.

4.2.5. In artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening is de hardheidsclausule opgenomen.

4.3. De Raad overweegt allereerst dat artikel 3.1, zevende lid, van de Verordening er niet toe kan leiden dat het gemeentebestuur van zijn zorgplicht is ontslagen indien sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. In het onderhavige geval heeft appellant zodanige feiten en omstandigheden - gebleken onmogelijkheid om voldoende begeleiding te vinden - gesteld, zodat de vraag dient te worden beantwoord of hij in aanmerking genomen de Wvg en de Verordening recht heeft op de aangevraagde voorziening.

4.4.1. Zoals de Raad reeds eerder met betrekking tot de uitvoering van de Wvg heeft overwogen - zie de uitspraken van 19 december 1997, LJN ZB7387, en 19 december 2001, LJN AL1343 - mag een gemeentebestuur, in het geval dat een gehandicapte slechts onder begeleiding gebruik kan maken van een bepaalde vorm van vervoer, er in beginsel van uitgaan dat de gehandicapte zelf voor de nodige begeleiding zorg draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen, met name als van de kant van de betrokkene aannemelijk wordt gemaakt dat zijn- of harerzijds niet dan wel slechts tegen substantiële meerkosten voor begeleiding voor verplaatsingen in de directe omgeving gezorgd kan worden, dient het gemeentebestuur zijn besluitvorming over een aangevraagde vervoersvoorziening af te stemmen op het feitelijk blijkende tekort aan begeleiding.

4.4.2. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van zo’n uitzonderingssituatie. Appellant beschikt over een elektrische rolstoel, voor de koude dagen over een voetenzak en een financiële tegemoetkoming voor individueel vervoer per eigen auto of een taxi van € 98,-- per maand. Voorts beschikt hij over een persoonsgebonden budget waarmee hij voor 22 uur per week hulp kan organiseren. De persoon die de hulp feitelijk verleent is inwonend op de bovenverdieping van zijn woning. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat appellant met de hem toegekende voorzieningen in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag binnen zijn directe woonomgeving en dat hij, mede in aanmerking genomen de aard van de bestemmingen die hij wil bezoeken, over toereikende middelen beschikt om, indien een bestemming uitsluitend met de eigen auto bereikt kan worden, hulp bij de transfers van zijn rolstoel te kunnen regelen.

4.5. Met hetgeen onder 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen is tevens gegeven dat het beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen.

4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P.Venema en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male

(get.) C. de Blaeij

MM