Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
08-61 WAO + 08-63 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de loop van de procedure in hoger beroep heeft het Uwv in het kader van de zogeheten AMBER-melding uiteindelijk bij gewijzigd besluit op bezwaar van 9 september 2009 beslist dat appellante over de periode van 25 april 2000 tot

12 september 2001 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Proceskostenveroordeling. Overschrijding redelijke termijn. Het Uwv wordt veroordeeld tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,-;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/61WAO + 08/63 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 november 2007, 06/4538 en 06/4539 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 april 2009 met bijlagen heeft het Uwv een nadere standpuntbepaling ingezonden. Hierop is namens appellante gereageerd bij brieven van 10 augustus 2009.

Bij brief van 10 september 2009 heeft de gemachtigde van appellante een gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 september 2009 in een andere procedure tussen appellante en het Uwv ingezonden met zijn conclusies ten aanzien van de onderhavige procedure in hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, en daarnaast een werkloosheidsuitkering. Per 28 maart 2000 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.

1.2. Nadat 52 weken waren verstreken na de ziekmelding van appellante is het Uwv voorschotten WAO aan appellante gaan betalen. Over de periode van 27 maart 2001 tot en met 31 juli 2001 heeft het Uwv voorschotten betaald ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% en de klasse 80 tot 100%.

1.3. Na een onderzoek in het kader van de herbeoordeling van het recht op uitkering na één jaar heeft het Uwv bij – onherroepelijk geworden – besluit van 18 juli 2001 de uitkering van appellante ingetrokken per 12 september 2001.

1.4. Bij besluit van 17 juli 2003 heeft het Uwv de over de periode van 27 maart 2001 tot en met 31 juli 2001 betaalde voorschotten van appellante teruggevorderd. Op 4 augustus 2003 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 september 2003 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard onder de overweging dat nog geen moederbeslissing was afgegeven over het recht op WAO-uitkering met ingang van 27 maart 2001.

2.1. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 27 maart 2001 ongewijzigd vastgesteld op 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellante met een op 9 juni 2005 ingekomen bezwaarschrift bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 25 april 2006, hierna besluit 1, ongegrond is verklaard.

2.2. Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het Uwv de over de periode van 27 maart 2001 tot en met 31 juli 2001 betaalde voorschotten ten bedrage van € 2.963,31 bruto opnieuw van appellante teruggevorderd. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, dat op 9 juni 2005 bij het Uwv is ingekomen. Bij besluit van 24 april 2006, hierna: besluit 2, heeft het Uwv het bezwaar eveneens ongegrond verklaard.

3. Tegen de besluiten 1 en 2 heeft appellante op 25 mei 2006 beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, waarbij zij wel heeft overwogen dat het Uwv nog een zogeheten AMBER-beslissing diende te nemen naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 28 maart 2000.

4.1. Op 2 januari 2008 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4.2. In de loop van de procedure in hoger beroep heeft het Uwv in het kader van de zogeheten AMBER-melding uiteindelijk bij gewijzigd besluit op bezwaar van 9 september 2009 beslist dat appellante over de periode van 25 april 2000 tot

12 september 2001 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht.

4.3. De gemachtigde van appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente en van de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Verder heeft hij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), grotendeels in de bestuurlijke fase.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat het Uwv de besluiten 1 en 2 heeft ingetrokken en dat appellante (ook) over de periode van 27 maart 2001 tot 12 september 2001 arbeidsongeschiktheidsuitkering naar de hoogste klasse toekomt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de besluiten 1 en 2 in stand zijn gelaten, geen stand kan houden. De Raad zal de inleidende beroepen gegrond verklaren en de besluiten 1 en 2 vernietigen.

5.2. Nu, gelet op het besluit van het Uwv van 9 september 2009 rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de primaire besluiten van 26 mei 2005 en 30 mei 2005 op de voet van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herroepen.

6. Wat betreft de gevorderde rentevergoeding over de na te betalen uitkering over de periode van 31 juli 2001 tot 12 september 2001 overweegt de Raad dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegezegd dat het Uwv deze vordering zelf zal afwikkelen. De Raad kan dan ook daarlaten de vraag of deze vordering binnen de omvang van het voorliggende geding valt.

7.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

7.2. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

Naar het oordeel van de Raad is de onderhavige procedure gestart met het op 4 augustus 2003 door appellante ingestelde bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 17 juli 2003. Weliswaar is het bezwaar van appellante tegen dat besluit op

26 september 2003 gegrond verklaard, maar daarbij is aan appellante meegedeeld dat dit niet betekent dat de onverschuldigd gedane betaling niet zal worden teruggevorderd en dat zij rekening dient te houden met een nieuwe beslissing waarbij zij per 27 maart 2001 15 tot 25% arbeidsongeschikt wordt geacht, gevolgd door een nieuwe terugvorderingsbeslissing. Het Uwv heeft vervolgens pas na bijna twee jaar nieuwe besluiten genomen. Appellante heeft al die tijd rekening moeten houden met de omstandigheid dat het Uwv nog voor haar belastende beslissingen zou gaan nemen. De termijn is daarom aangevangen op 4 augustus 2003. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en bijna drie maanden verstreken. Dit is meer dan vier jaar.

7.3. De Raad stelt vast dat sprake is van een te lange behandelingsduur bij het Uwv, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 augustus 2003 en de besluiten van 25 april 2006 twee jaar en bijna negen maanden zijn verstreken. De Raad stelt vervolgens vast dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, nu deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De Raad ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en bijna drie maanden is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van vijf maal € 500,-, dat is € 2.500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad zal daarom het Uwv, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, veroordelen tot betaling van dit bedrag aan appellante.

8. De Raad ziet ten slotte aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Herroept de besluiten van 26 mei 2005 en 30 mei 2005;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM