Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08/6226 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen op de grond dat niet is gebleken dat appellant gedurende een verzekerde periode arbeidsongeschikt is geworden. Anders dan het Uwv heeft aangegeven in het bestreden besluit had een medische beoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven, nu de medische situatie op en na de hiervoor bedoelde - vooralsnog onzekere – datum niet expliciet is beoordeeld. Hieruit volgt dat het bestreden besluit reeds wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. In het kader van het door het Uwv opnieuw te nemen besluit op bezwaar wijst de Raad er op dat naar vaste rechtspraak van de Raad bij een late aanvraag het feit dat de medische situatie van betrokkene niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt. Anders dan appellant, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, heeft gesteld ziet de Raad in de gegeven omstandigheden geen aanleiding de ziekmelding in 1994 tevens op te vatten als een aanvraag tot het toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft zich op 19 juli 1994 ziekgemeld bij de CNSS, waarbij door hem een formulier MN 111 is overgelegd. Appellant is daarop door de CNSS in controle genomen en is in 1994 en 1995 vrijwel maandelijks medisch gecontroleerd. Bij besluit van 13 november 1995 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 19 juli 1994 een uitkering krachtens de ZW toe te kennen. Dit besluit is rechtens onaantastbaar. Ook de controlebezoeken bij de CNSS nadien hebben niet geleid tot het toekennen van een ZW-uitkering. Indien ziekengeld is geweigerd is er geen aanleiding de ziekmelding tevens aan te merken als een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook voor zover is betoogd dat appellant in 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd kan de Raad appellant daarin niet volgen. Op basis van de beschikbare gegevens dient naar het oordeel van de Raad de brief van appellant van 3 februari 2003 derhalve als een eerste aanvraag om een uitkering op grond van de WAO te worden gekwalificeerd. Als bijlage bij deze brief heeft appellant een medische verklaring van 30 oktober 2002 gevoegd, waarin door de psychiater J. Chiboub is aangegeven dat appellant lijdt aan stoornissen van de gemoedstoestand van het type recidiverende depressieve episoden, somatisatiestoornis met vele klachten en gegeneraliseerde angststoornissen. Nu er vanuit moet worden gegaan dat appellant met zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ruim acht jaar heeft gewacht komt het voor zijn rekening en risico indien zijn medische situatie op en na 18 augustus 1994 niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld. Daarbij merkt de Raad op dat appellant per 19 juli 1994 hersteld is verklaard en dat de door hem overgelegde medische informatie niet ziet op de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6226 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2008, 07/1855 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van den Brom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging “De Samenwerking”.

1.2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.3. Appellant, woonachtig in Marokko en geboren [in] 1954, is in Nederland werkzaam geweest bij [naam werkgever] te Rosmalen. Op 12 juli 1994 is appellant voor vakantie vertrokken naar Marokko, waar hij zich op 19 juli 1994 heeft ziekgemeld bij de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS).

1.4. Bij besluit van 13 november 1995 heeft het Uwv geweigerd appellant per 19 juli 1994 een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

1.5. Appellant heeft nadien opnieuw een uitkering op grond van de ZW aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een ziekmelding per 7 augustus 1998 en afgewezen bij besluit van 4 maart 2003. Bij besluit van 7 januari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2005 (04/2679) is het beroep van appellant tegen de besluiten van 13 november 1995 en 7 januari 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.6. Bij brief van 10 maart 2005 heeft appellant het Uwv verzocht zijn aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te beoordelen omdat hij lijdt aan epilepsie en een depressie.

1.7. Bij besluit van 15 september 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de WAO toe te kennen omdat niet is gebleken dat appellant gedurende een verzekerde periode arbeidsongeschikt is geworden.

1.8. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 september 2006. De gemachtigde van appellant heeft op de in het kader van de behandeling van het bezwaar gehouden hoorzitting afschriften overgelegd van meldingen bij de CNSS in de periode tussen 19 juli 1994 en 27 november 1995.

1.9. Bij besluit van 7 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 september 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv onder verwijzing naar het besluit van 13 november 1995 overwogen dat vanaf juli 1994 geen wachttijd is gaan lopen, zodat er geen aanleiding is voor een medische of arbeidskundige beoordeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en aangegeven dat hij zich voor het eerst op 19 juli 1994 heeft ziekgemeld en dat door het besluit van 13 november 1995 vaststaat dat hij bij deze ziekmelding niet arbeidsongeschikt is bevonden. Hij heeft zich echter op 18 augustus 1994 weer ziek gemeld en is tot 27 november 1995 bij de CNSS onder controle gebleven. Nadat op deze meldingen geen reactie kwam heeft hij zich in 1998 bij het Uwv gemeld met het verzoek om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het Uwv heeft dit verzoek ten onrechte opgevat als een nieuwe ziekmelding en afgewezen op de grond dat appellant in 1998 niet verzekerd was. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant het Uwv pas na twaalf dan wel vijftien jaren heeft verzocht hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Appellant heeft zich conform het bepaalde in het Administratief Akkoord ziek gemeld bij de CNSS. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 12 maart 1993 (LJN ZB1831) en 18 juni 2008 (LJN BD4734) heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de melding bij de CNSS van 18 augustus 1994 tevens gezien moet worden als een verzoek om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Er is dan ook geen sprake van een late aanvraag zodat indien de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen dit niet voor rekening en risico van appellant komt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2000 (LJN ZB8931) heeft appellant ten slotte aangegeven dat het Uwv inhoudelijk dient te beslissen op de vraag of vanaf 18 augustus 1994 de wachttijd is vervuld, waarbij er gelet op de vertraging in de besluitvorming aanleiding is eventuele twijfel in zijn voordeel uit te leggen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad stelt vast dat uit de aan het primaire besluit ten grondslag liggende brief van appellant van 10 maart 2005 kan worden afgeleid dat het verzoek tot toekenning van een uitkering op grond van de WAO ziet op de situatie vanaf 18 augustus 1994. Hieruit volgt dat door het Uwv beoordeeld had moeten worden of op of na 18 augustus 1994, gedurende een tijdvak waarin appellant nog verzekerd was krachtens de WAO – op grond van zijn dienstverband met [werkgever] of de nawerking bedoeld in artikel 17 van de WAO – een eerste arbeidsongeschiktheidsdag is aan te wijzen en, zo ja, of nadien de wachttijd van 52 weken is volgemaakt. Anders dan het Uwv heeft aangegeven in het bestreden besluit had een medische beoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven, nu de medische situatie op en na de hiervoor bedoelde - vooralsnog onzekere – datum niet expliciet is beoordeeld. Hieruit volgt dat het bestreden besluit reeds wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. In het kader van het door het Uwv opnieuw te nemen besluit op bezwaar wijst de Raad er op dat naar vaste rechtspraak van de Raad bij een late aanvraag het feit dat de medische situatie van betrokkene niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt.

4.3. Anders dan appellant, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, heeft gesteld ziet de Raad in de gegeven omstandigheden geen aanleiding de ziekmelding in 1994 tevens op te vatten als een aanvraag tot het toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant heeft zich op 19 juli 1994 ziekgemeld bij de CNSS, waarbij door hem een formulier MN 111 is overgelegd. Appellant is daarop door de CNSS in controle genomen en is in 1994 en 1995 vrijwel maandelijks medisch gecontroleerd. Bij besluit van 13 november 1995 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 19 juli 1994 een uitkering krachtens de ZW toe te kennen. Dit besluit is rechtens onaantastbaar. Ook de controlebezoeken bij de CNSS nadien hebben niet geleid tot het toekennen van een ZW-uitkering. Indien ziekengeld is geweigerd is er geen aanleiding de ziekmelding tevens aan te merken als een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4.4. Ook voor zover is betoogd dat appellant in 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd kan de Raad appellant daarin niet volgen. In de brief uit 1998 die heeft geleid tot het besluit van 4 maart 2003 vraagt appellant expliciet om een uitkering op grond van de Ziektewet. In het besluit op bezwaar van 7 januari 2004 heeft het Uwv haar kwalificatie van het verzoek van appellant - als een verzoek om een uitkering op grond van de Ziektewet in verband met een ziekmelding per 7 augustus 1998 - gehandhaafd. Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2005 (04/2679) waarbij het beroep van appellant tegen het besluit van 7 januari 2004 ongegrond is verklaard heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

4.5. Op basis van de beschikbare gegevens dient naar het oordeel van de Raad de brief van appellant van 3 februari 2003 derhalve als een eerste aanvraag om een uitkering op grond van de WAO te worden gekwalificeerd. Als bijlage bij deze brief heeft appellant een medische verklaring van 30 oktober 2002 gevoegd, waarin door de psychiater J. Chiboub is aangegeven dat appellant lijdt aan stoornissen van de gemoedstoestand van het type recidiverende depressieve episoden, somatisatiestoornis met vele klachten en gegeneraliseerde angststoornissen. Nu er vanuit moet worden gegaan dat appellant met zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ruim acht jaar heeft gewacht komt het voor zijn rekening en risico indien zijn medische situatie op en na 18 augustus 1994 niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld. Daarbij merkt de Raad op dat appellant per 19 juli 1994 hersteld is verklaard en dat de door hem overgelegde medische informatie niet ziet op de datum in geding.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep voor verleende kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 juni 2007;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. de Mooij en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.

(get.) T.L de Vries.

(get.) W. Altenaar.

MM