Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-2975 WWB + 08-3087 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Niet horen in de bezwaarfase: het verzoek om uitstel was afgewezen. De gemachtigde heeft wél gemotiveerd waarom zij niet door een collega kon worden vervangen. De herziening en de terugvordering: Het College heeft afschrift van de aan betrokkene gerichte brief van de Belastingdienst van 15 september 2005 tot voorlopige teruggaaf van inkomstenbelasting en premieheffing over 2005 overlegd. Hieruit blijkt dat betrokkene in 2005 de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen. Schending inlichtingenverplichting. Betrokkene had vanaf 16 september 2005 recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2009-10-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/367

Uitspraak

08/2975 WWB

08/3087 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 april 2008, 07/2370 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. Swart een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 september 2009. Betrokkene en mr. Swart zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1 Betrokkene ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is vanaf 26 oktober 2005 beëindigd. Deze beëindiging is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Raad van 8 juli 2008, 07/3003.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 2 juli 2007 heeft het College zijn besluit van 21 maart 2006 gehandhaafd. Laatstgenoemd besluit houdt in de herziening van de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 25 oktober 2005 alsmede de terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 551,59.

De herziening berust op het standpunt van het College dat betrokkene vanaf 1 januari 2005 de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen, waarmee geen rekening is gehouden bij de verlening van de bijstand, en dat zij vanaf 16 september 2005 tot en met 25 oktober 2005 recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande in plaats van bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 2 juli 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de herziening van de bijstand over de periode van

1 januari 2005 tot 16 september 2005 is gehandhaafd, over die periode de alleenstaande-ouderkorting op die uitkering in mindering is gebracht en het bedrag van de vermindering als onverschuldigd van betrokkene is teruggevorderd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet is komen vast te staan dat betrokkene over de zojuist genoemde periode de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen. De rechtbank heeft het College voorts opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft de herziening van de bijstand over de periode vanaf

16 september 2005 wel in stand gelaten.

3. Partijen hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank haar ten onrechte niet heeft gevolgd in haar standpunt dat het College in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Verder stelt zij dat de rechtbank had moeten bepalen dat het College geheel van herziening en terugvordering had behoren af te zien, met name vanwege haar psychische problemen.

3.2. Het College heeft naar voren gebracht dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel vaststaat dat betrokkene de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het horen in de bezwaarfase

4.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. In dit geval is op 5 juni 2007 een hoorzitting gehouden waarbij betrokkene en haar raadsvrouw ontbraken. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in strijd met de zojuist genoemde bepaling het verzoek om uitstel van de hoorzitting, waarvoor mr. Swart bij brief van 22 mei 2007 was uitgenodigd, niet gehonoreerd. Mr. Swart heeft haar verzoek om een andere datum te bepalen voor het houden van de hoorzitting voorzien van een motivering. Het verzoek is ook gedaan binnen drie dagen na de aan haar gezonden uitnodiging, hetgeen in overeenstemming is met wat daarover is bepaald in artikel 11, tweede lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften De Ronde Venen 2005 (verordening). Op een dergelijk verzoek moet ingevolge artikel 11, derde lid, van de verordening, uiterlijk een week voor het tijdstip van de zitting worden beslist. Die bepaling is niet nageleefd. Het College heeft niet betwist dat pas op 31 mei 2007 op het verzoek van mr. Swart is beslist tot afwijzing daarvan. Weliswaar is de voorzitter van de commissie bevoegd in bijzondere omstandigheden van de termijn van een week af te wijken, maar uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de commissie. De Raad neemt verder in aanmerking dat het hier ging om een eerste verzoek om uitstel en dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, mr. Swart juist wel heeft gemotiveerd waarom zij niet door een collega kon worden vervangen. Dat, zoals het College nog heeft aangevoerd, mr. Swart zich bij een andere hoorzitting wel heeft laten vervangen, doet aan het voorgaande niet af. Daaruit kan evenzeer worden afgeleid dat mr. Swart, indien zij in een voorkomend geval zelf verhinderd is, zich wel degelijk laat vervangen door een collega als dat ook daadwerkelijk mogelijk is. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van betrokkene in zoverre.

De herziening en de terugvordering

4.2. Uit het door het College overgelegde afschrift van de aan betrokkene gerichte brief van de Belastingdienst van 15 september 2005 tot voorlopige teruggaaf van inkomstenbelasting en premieheffing over 2005 blijkt dat betrokkene in 2005 de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen. Uit het verweerschrift van betrokkene blijkt dat betrokkene dit erkent. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het College doel treft.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het College niet te melden dat haar kinderen op 16 september 2005 niet meer woonachtig waren in [woonplaats]. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat betrokkene ook niet aan het College heeft gemeld dat zij over 2005 de alleenstaande-ouderkorting heeft ontvangen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat dit haar niet kan worden verweten.

4.4. Betrokkene had over de periode van 1 januari 2005 tot 16 september 2005 recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder, met dien verstande dat rekening had moeten worden gehouden met de ontvangst van de alleenstaande-ouderkorting. Met ingang van 16 september 2005 had betrokkene recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting heeft met zich gebracht dat aan betrokkene over de periode van 1 januari 2005 tot en met 25 oktober 2005 tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot herziening respectievelijk terugvordering. De Raad is van oordeel dat het College heeft gehandeld overeenkomstig het door hem met betrekking tot herziening en terugvordering gevoerde beleid, nu betrokkene niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd dat sprake is van dringende redenen in de zin van het beleid op grond waarvan van herziening en/of van terugvordering kan worden afgezien. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. In zoverre treft het hoger beroep van betrokkene derhalve geen doel.

Conclusie

4.5. De Raad ziet in de schending van de hoorplicht geen beletsel om de geschillen finaal te beslechten, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat betrokkene zowel in beroep als in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad om haar zaak te bepleiten.

4.6. De rechtbank heeft het besluit van 2 juli 2007 gedeeltelijk vernietigd. Uit onderdeel 4.1 van deze uitspraak volgt dat dit besluit (ook) wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Nu het beroep volgens de Raad om een geheel andere dan de door de rechtbank gehanteerde reden gegrond is en mede om redenen van overzichtelijkheid, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, met uitzondering van de bepaling over het griffierecht. De Raad zal vervolgens het beroep gegrond verklaren, het besluit van 2 juli 2007 (geheel) vernietigen wegens strijd met de wet. Gelet op onderdeel 4.4 van deze uitspraak zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

Proceskosten

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij een bepaling is gegeven over het griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 juli 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College het door betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.

MM