Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-724 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de beperkingen van appellant, op basis van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek, niet onjuist zijn vastgesteld. Wat de arbeidskundige beoordeling betreft, is de Raad van oordeel dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat moet worden geacht tot het uitoefenen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies. Voorts overweegt de Raad dat in de arbeidskundige rapportages van 29 september 2006 en 4 april 2007 genoegzaam is toegelicht waarom deze functies voor appellant in medisch opzicht geschikt kunnen worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/724 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2007, 07/2039 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 8 augustus 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kon zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat er ten tijde van de vaststelling van appellants medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, onvoldoende gewicht is toegekend aan het oordeel van 20 april 2006 van de bedrijfsarts J. Andrade, werkzaam bij Arbo Unie.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd over de aangevallen uitspraak als volgt.

4.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad is met haar van oordeel dat de beperkingen van appellant, op basis van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek, niet onjuist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts, die het primair medisch onderzoek heeft verricht, heeft beperkingen aangenomen in verband met de rugklachten van appellant en deze beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij dat onderzoek heeft deze verzekeringsarts de medische gegevens uit het re-integratieverslag van Arbo Unie betrokken, waaronder het zogenoemde Actueel Oordeel van de bedrijfsarts Andrade van 20 april 2006. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten behoeve van zijn onderzoek kennis genomen van het dossier en van de door appellant in bezwaar overgelegde medische informatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij het vaststellen van de belastbaarheid in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant en dat diens beperkingen op juiste wijze zijn weergegeven in de FML. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen, is ook de Raad niet gebleken. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in dit geding van belang is.

4.2. De Raad volgt appellant niet in zijn – ook in beroep ingenomen – stelling dat het Uwv onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de vaststelling op 20 april 2006 van de functionele beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellant door de bedrijfsarts Andrade. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de desbetreffende bedrijfsarts het bestaan van die beperkingen bij appellant onvoldoende heeft gemotiveerd. De bedrijfsarts heeft vermeld met betrekking tot welke functionele mogelijkheden appellant naar zijn mening beperkt is. Daarbij is, wat betreft de mate waarin appellant beperkt wordt geacht slechts onderscheid gemaakt naar ‘beperkt’ of ‘ernstig beperkt’. Een verdere toelichting of onderbouwing van de mate of de ernst van de gestelde beperking ontbreekt. Voorts ontbreken onderzoeksbevindingen op grond waarvan de bedrijfsarts tot zijn vaststelling is gekomen.

4.3. Wat de arbeidskundige beoordeling betreft, is de Raad van oordeel dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat moet worden geacht tot het uitoefenen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en samensteller metaalwaren (sbc-code 264140). Voorts overweegt de Raad dat in de arbeidskundige rapportages van 29 september 2006 en 4 april 2007 genoegzaam is toegelicht waarom deze functies voor appellant in medisch opzicht geschikt kunnen worden geacht.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR