Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
07-4813 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratie; verplichting om wekelijks een keer te solliciteren naar passend werk. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het vaststellingsbesluit van 6 januari 2006, waaruit voor hem een sollicitatieverplichting voortvloeide. Appellant heeft na 6 januari 2006 geen melding gemaakt van een verandering in zijn gezondheidstoestand. Ten slotte heeft hij zijn stelling dat hij niet tot werken in staat was niet onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2009-10-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/370

Uitspraak

07/4813 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 6 juli 2007, 06/886 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellant zich op 9 januari 2004 ziek had gemeld met psychische klachten heeft het Uwv bij besluit van 6 januari 2006 vastgesteld dat appellant met ingang van 6 januari 2006 recht heeft op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij brief van 19 april 2006 heeft het Uwv appellant mededeling gedaan van de ten behoeve van hem opgestelde re-integratievisie van 11 april 2006. In deze re-integratievisie is appellant de verplichting opgelegd wekelijks een keer te solliciteren naar passend werk.

2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2006, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft hierbij overwogen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd, namelijk dat hij gezien zijn medische situatie niet in staat is om te werken, in deze procedure niet aan de orde kan worden gesteld nu over de mate van arbeids(on)geschiktheid van appellant al is beslist bij het toekenningsbesluit van 6 januari 2006. Voorts heeft zij overwogen dat appellant wist wat er van hem verwacht werd met betrekking tot terugkeer naar de arbeidsmarkt en solliciteren. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv appellant terecht heeft verplicht om wekelijks te solliciteren naar passende arbeid.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij zowel lichamelijk als geestelijk niet in staat is om te werken.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt, met verwijzing naar zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG8911, voorop dat een re-integratievisie als de onderhavige een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre daarin de uitwerking van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van betrokkene is vastgelegd.

5.2. Aan appellant is in de re-integratievisie de verplichting opgelegd om ten minste een keer per week te solliciteren. In zijn uitspraak van 23 september 2009, LJN BJ8470, heeft de Raad vastgesteld dat de verplichting om (minimaal) een keer per week te solliciteren een concretisering is van de in artikel 30, aanhef en onder b, van de Wet WIA neergelegde verplichting die, zo is ten overvloede overwogen, wat betreft frequentie afwijkt van de uit artikel 3, tweede lid, van de Regeling beleidsregels arbeidsinschakeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten van 20 december 2005 (Stcrt. 2005, 252, hierna: de Regeling) voortvloeiende verplichting om ten minste viermaal per maand een concrete sollicitatieactiviteit te verrichten. De re-integratievisie is daarom in zoverre gericht op rechtsgevolg. De rechtbank is hiervan dan ook terecht uitgegaan.

5.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant opgeworpen vraag of en zo ja, in hoeverre, hij in staat is om arbeid te verrichten in het onderhavige geval wel aan de orde kan komen. Immers, de thans in geding zijnde re-integratievisie dateert van meer dan drie maanden na de vaststelling van het recht op de WIA-uitkering en houdt in feite een handhaving en uitbreiding in van de reeds uit het vaststellingsbesluit voortvloeiende sollicitatieverplichting.

5.4. Het betoog van appellant slaagt echter niet. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het vaststellingsbesluit van 6 januari 2006, waaruit voor hem op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA een sollicitatieverplichting voortvloeide. Bij het besluit van 6 januari 2006 is appellant een brochure toegezonden waarin zijn verplichtingen zijn opgenomen, zodat hij op de hoogte was van wat er van hem werd verwacht. Appellant heeft na 6 januari 2006 geen melding gemaakt van een verandering in zijn gezondheidstoestand. Ten slotte heeft hij zijn stelling dat hij niet tot werken in staat was niet onderbouwd.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins gewijzigde gronden, bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK