Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-133 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verhoging WAO-uitkering en weigering WIA uitkering toe te kennen. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het besluit van het Uwv om de WAO-uitkering van appellante ingaande 7 juli 2004 niet te verhogen op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2007 ongegrond is verklaard, geen stand kan houden. De Raad overweegt dat het besluit van 14 maart 2007 door het Uwv niet op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan appellante bekend is gemaakt. Het besluit is door het Uwv geadresseerd aan appellante, terwijl aan het Uwv bekend was dat appellante werd bijgestaan door een gemachtigde - naar blijkt uit het verslag van de hoorzitting in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 2 oktober 2006, waarin ook is gesproken over de nog te nemen beslissing op de WIA-aanvraag -. Op grond van het bepaalde in artikel 2:1 van de Awb diende het Uwv de gemachtigde van appellante een afschrift van het besluit van 14 maart 2007 te doen toekomen. Partijen hebben ter zitting van de Raad desgevraagd aangegeven niet met zekerheid te kunnen stellen dat het besluit van 14 maart 2007 aan de toenmalige gemachtigde van appellante is toegezonden dan wel door deze is ontvangen. In het dossier heeft de Raad geen bezwaarschrift aangetroffen tegen het besluit van 14 maart 2007. De Raad gaat er daarom van uit dat de toenmalige gemachtigde van appellante eerst bij het bestreden besluit op de hoogte is gebracht van een beslissing op de WIA-aanvraag, zodat eerst op dat moment de bezwaartermijn is aangevangen. De rechtbank had naar het oordeel van de Raad het tegen het bestreden besluit ingediende beroepschrift op grond van de artikelen 6:15 en 7:1 van de Awb ter verdere behandeling als bezwaarschrift moeten doorzenden aan het Uwv. De Raad zal dit alsnog doen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de vraag of bij het bestreden besluit het besluit van 2 oktober 2006 terecht op goede gronden is gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2007 ongegrond is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/133 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 november 2007, 07/3652 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Meijer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Bij schrijven van 7 juli 2009 heeft mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Wernik en G. Yildiz als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 30 augustus 1999 in verband met nek-, rug- en beenklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als montagemedewerker. Het Uwv heeft appellante ingaande 29 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat zij weliswaar ongeschikt werd geacht voor haar eigen werk, maar de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder was dan 15%. Appellante heeft na haar uitval bij de eigen werkgever hervat in aangepast eigen werk, de functie medewerker electromontage C.

1.2. Appellante heeft zich ingaande 9 juni 2004 ziek gemeld voor haar werkzaamheden als medewerker electromontage C in verband met toegenomen rugklachten.

1.3. Het Uwv heeft bij besluit van 2 oktober 2006 geweigerd de WAO-uitkering van appellante, na een verkorte wachttijd van vier weken, ingaande 7 juli 2004 te verhogen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder is dan 15%. Daaraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat de toename van de medische beperkingen van appellante voortvloeit uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het Uwv ingaande 29 augustus 2000 geweigerd heeft een WAO-uitkering toe te kennen, maar dat appellante niettemin geschikt te achten is voor haar werkzaamheden als medewerker electromontage C.

1.4. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat er voor haar ingaande 7 juni 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2. Bij het besluit van 26 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 2 oktober 2006 en 14 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij ten gevolge van toegenomen rug- en nekklachten zwaarder beperkt is te achten dan is aangenomen door het Uwv en er geen sprake is van aggravatie, heeft appellante een op 18 oktober 2007 gedateerde rapportage van dr. ir. L. Lambrecht, specialist inwendige ziekten, in geding gebracht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de het recht op uitkering ingevolge de WAO

5.1.1. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het besluit van het Uwv om de WAO-uitkering van appellante ingaande 7 juli 2004 niet te verhogen op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

5.1.2. Bij hun onderzoek - voor zover betrekking hebbend op de onder rubriek 5.1.1 genoemde datum - hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat appellante ten gevolge van afwijkingen aan de lumbale wervelkolom beperkt is in haar belastbaarheid. Verder hebben de verzekeringsartsen op grond van een langdurig bestaand klachtenpatroon en na lichamelijk onderzoek aangenomen dat appellante verminderd belastbaar is ten aanzien van de nek, armen en benen, ondanks dat de door haar geclaimde nekklachten en neurologische uitvalsverschijnselen in armen of benen niet middels beeldvormend onderzoek geobjectiveerd konden worden. In verband met medicatiegebruik is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een beperking aangenomen ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft gesteld en in de overgelegde rapportage van Lambrecht geen grond gevonden om de voor appellante vastgestelde belastbaarheid onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink en de verzekeringsarts R.T. Lansbergen hebben in hoger beroep overtuigend toegelicht dat de rapportage van Lambrecht geen aanleiding geeft het verzekeringsgeneeskundig oordeel bij te stellen nu de ingebrachte medische informatie overeen komt met de eerder in bezwaar van dezelfde specialist ontvangen en meegewogen informatie. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv.

5.1.3. De Raad overweegt voorts dat de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars na een uitgebreid onderzoek bij de (voormalige) werkgever van appellante bij rapportage 26 april 2007 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de functie medewerker electromontage C, waaruit appellante zich ingaande 9 juni 2004 ziek heeft gemeld, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellante in medisch opzicht passend is. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingaande 7 juni 2004 derhalve terecht vastgesteld op minder dan 15%.

Met betrekking tot het recht op uitkering ingevolge de Wet WIA

5.2.1. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2007 ongegrond is verklaard, geen stand kan houden.

5.2.2. De Raad overweegt dat het besluit van 14 maart 2007 door het Uwv niet op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan appellante bekend is gemaakt. Het besluit is door het Uwv geadresseerd aan appellante, terwijl aan het Uwv bekend was dat appellante werd bijgestaan door een gemachtigde - naar blijkt uit het verslag van de hoorzitting in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 2 oktober 2006, waarin ook is gesproken over de nog te nemen beslissing op de WIA-aanvraag -. Op grond van het bepaalde in artikel 2:1 van de Awb diende het Uwv de gemachtigde van appellante een afschrift van het besluit van 14 maart 2007 te doen toekomen. Partijen hebben ter zitting van de Raad desgevraagd aangegeven niet met zekerheid te kunnen stellen dat het besluit van 14 maart 2007 aan de toenmalige gemachtigde van appellante is toegezonden dan wel door deze is ontvangen. In het dossier heeft de Raad geen bezwaarschrift aangetroffen tegen het besluit van 14 maart 2007. De Raad gaat er daarom van uit dat de toenmalige gemachtigde van appellante eerst bij het bestreden besluit op de hoogte is gebracht van een beslissing op de WIA-aanvraag, zodat eerst op dat moment de bezwaartermijn is aangevangen. De rechtbank had naar het oordeel van de Raad het tegen het bestreden besluit ingediende beroepschrift op grond van de artikelen 6:15 en 7:1 van de Awb ter verdere behandeling als bezwaarschrift moeten doorzenden aan het Uwv. De Raad zal dit alsnog doen.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2.2. is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de vraag of bij het bestreden besluit het besluit van 2 oktober 2006 terecht op goede gronden is gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 maart 2007 ongegrond is verklaard.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het recht op uitkering ingevolge de WAO;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het recht op uitkering ingevolge de Wet WIA;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM