Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-5876 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellant de resterende geduide functies op de in geding zijnde datum niet zou kunnen vervullen. De geschiktheid in medisch opzicht van deze functies voor appellant is in beroep met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht. De Raad onderschrijft dan ook de desbetreffende overwegingen van de rechtbank. Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad tot het oordeel dat zich niet de in artikel 43a van de WAO bedoelde situatie voordeed dat appellant binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd arbeidsongeschikt is geworden. De uit artikel 43a voortvloeiende vervolgvraag of deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, behoeft in deze zaak derhalve geen antwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5876 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 september 2008, 07/2556 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. Burger, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 juli 2009 heeft het Uwv de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.P. Voogd van 14 juli 2009 overgelegd waarin onder andere wordt gereageerd op de door appellant bij brief van 8 juli 2009 ingebrachte stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Burger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Tiemersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellant, die voorheen fulltime werkzaam was als verkoper in een elektronicawinkel, zich op 7 mei 2001 met psychische klachten vanuit een situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek had gemeld, is hem na afloop van de desbetreffende wachttijd met ingang van 6 mei 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd.

1.2. Op 11 november 2005 heeft appellant een nieuwe aanvraag om uitkering op grond van de WAO (artikel 43a) ingediend wegens toegenomen psychische klachten. In de vervolgens door de verzekeringsarts opgestelde zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 mei 2006 zijn toegenomen psychische beperkingen verwerkt, met name omdat een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Op basis van het rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv vervolgens geconcludeerd dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant per 8 december 2005 (nog steeds) minder dan 15% bedraagt. Bij het besluit van 3 augustus 2006 is om die reden afwijzend beslist op de aanvraag van appellant.

2. In het kader van het ingediende bezwaar heeft appellant er met name op gewezen dat in 2006 bij hem besmetting met het Human Immunodeficiency Virus (HIV) is vastgesteld. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft de huisarts van appellant nadere informatie verstrekt. Tijdens de hoorzitting heeft appellant verklaard dat HIV-testen in 2000 en 2004 negatief waren, dus geen besmetting aangaven. Bij besluit van 27 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering om uitkering ingevolge de WAO te verstrekken gehandhaafd.

3.1. Nadat appellant beroep bij de rechtbank had ingesteld, heeft het Uwv aan de hand van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 januari 2008 en 5 maart 2008 een nadere toelichting gegeven op de signaleringen bij de geschiktheid van appellant voor de (resterende) geduide functies.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege een ontoereikende motivering van de arbeidskundige grondslag. De rechtsgevolgen van dat besluit zijn door de rechtbank echter in stand gelaten, omdat het Uwv in de loop van de beroepsprocedure die grondslag voldoende heeft onderbouwd en de medische grondslag van het bestreden besluit juist is bevonden. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven ten aanzien van de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

4. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Hij is van mening dat hij op en na 8 december 2005 meer beperkingen had dan blijkens de FML zijn aangenomen door het Uwv, met name gelet op de vastgestelde posttraumatische stressstoornis en de HIV-besmetting. De geduide functies vallen niet binnen zijn belastbaarheid en de overschrijdingen van de belastbaarheidsaspecten zijn door de bezwaararbeidsdeskundige onvoldoende gemotiveerd, aldus appellant.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO is - voor zover hier van belang - bepaald dat, indien degene die aan het einde van de in artikel 19 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

5.2. Geconstateerd kan worden dat er weliswaar sprake is van klachten bij appellant, zoals die ook zijn verwoord tijdens de zitting van de Raad, maar dat er geen medisch onderbouwde informatie beschikbaar is die moet leiden tot het oordeel dat ten tijde hier in geding verdergaande beperkingen hadden dienen te worden aangenomen. Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts - die specifiek deskundig zijn te achten om op grond van de beschikbare medische informatie beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid vast te stellen - naar aanleiding van hun onderzoek niet van mening verschillen over de medische beperkingen en de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding. Deze artsen hadden bij hun meningsvorming tevens de beschikking over door de huisarts van appellant en de behandelend psycholoog A.P.M. Verstappen verstrekte informatie. Zij hebben daarin geen aanleiding gezien om tot een ander dan het in de FML neergelegde standpunt te komen. Ook indien achteraf geoordeeld zou moeten worden - wat daar overigens ook van zij - dat de klachten van appellant op de datum in geding in verband kunnen worden gebracht met een HIV-besmetting, dan nog zou dat voor de Raad geen reden vormen om te concluderen dat met betrekking tot die datum de beperkingen van appellant zijn onderschat. Weliswaar zou dan gesteld kunnen worden dat er een nieuwe diagnose is die voorheen niet werd gesteld, maar daarmee staat niet vast dat de eerder door het Uwv aangenomen beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de Raad is er geen grond voor de conclusie dat de betrokken verzekeringsartsen de klachten en beperkingen van appellant onvoldoende in beeld hebben gebracht. Van een onjuiste vaststelling van de beperkingen van appellant ten tijde in geding is gelet op het vorenstaande dan ook geen sprake.

5.3. Aldus uitgaand van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellant de resterende geduide functies op de in geding zijnde datum niet zou kunnen vervullen. De geschiktheid in medisch opzicht van deze functies voor appellant is in beroep met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht. De Raad onderschrijft dan ook de desbetreffende overwegingen van de rechtbank.

6. Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad tot het oordeel dat zich niet de in artikel 43a van de WAO bedoelde situatie voordeed dat appellant binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd arbeidsongeschikt is geworden. De uit artikel 43a voortvloeiende vervolgvraag of deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, behoeft in deze zaak derhalve geen antwoord.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM