Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-6736 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De rechtbank heeft het beroep onterecht niet-ontvankelijk verklaard. . De rechtbank heeft een deskundige, psychiater G.T. Gerssen, benoemd voor het instellen van een onderzoek. In zijn verslag van 14 mei 2008 heeft de deskundige vermeld, dat door het gedrag van appellante, met name haar houding, onvoldoende valide diagnostiek gepleegd kan worden hetgeen impliceert dat de eventuele aanwezige beperkingen die daaruit zouden kunnen voortvloeien, ook niet kunnen worden geduid. De rechtbank heeft op grond hiervan geconcludeerd dat zij niet in staat is om te beoordelen of de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden, en derhalve evenmin kan beoordelen of het beroep gegrond dan wel ongegrond moet worden verklaard. Onder verwijzing naar artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zij het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. Deze bepaling geeft de rechter ter overweging aan het niet meewerken van een partij de gevolgtrekking te verbinden die hem geraden voorkomt. De meest vergaande gevolgtrekking is niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. In de onderhavige zaak acht de Raad deze gevolgtrekking niet in een evenredige verhouding tot de laakbaarheid van het handelen van appellante. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de deskundigenrapportage naar zijn oordeel niet kan worden afgeleid dat sprake is van een geheel onwillige medewerking. Voorts ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het bij haar aanhangige geding niet anders heeft kunnen beëindigen dan op de wijze als bij de aangevallen uitspraak is gedaan. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek verricht naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De door appellante ingebrachte medische gegevens vormen voor de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de door de verzekeringsarts vastgestelde (psychische) belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat, nu appellante de op haar ingevolge artikel 8:30 van de Awb rustende verplichting om aan het deskundigenonderzoek mee te werken niet is nagekomen, twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb wordt deze twijfel door hem niet in het voordeel van appellante uitgelegd. Gelet daarop houdt de Raad het ervoor dat, nu appellante ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt, de vastgestelde belastbaarheid niet onjuist dient te worden geacht. In het gegeven dat appellante met ingang van 8 november 2006 weer een volledige WAO-uitkering is toegekend, ziet de Raad, gelet op de daaraan ten grondslag liggende medische stukken, geen aanknopingspunt om te oordelen dat de belastbaarheid op de datum in geding is overschat. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen staat voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de arbeidskundige rapportages, de bij de schatting betrokken functies binnen de functionele mogelijkheden van appellante liggen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/387

Uitspraak

08/6736 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 oktober 2008, 06/2418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Appellante is, met bericht vooraf, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als montagemedewerkster en heeft zich op 12 november 1996 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege onder meer psychische klachten. Bij einde wachttijd is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft er een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 juli 2006 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3. Nadat de bezwaarverzekeringsarts rapport heeft uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 29 september 2006 het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Verder heeft appellante aangevoerd dat uit de beschikbare medische gegevens voortvloeit dat zij niet in staat kan worden geacht werkzaamheden te verrichten.

3.2. Het Uwv heeft zich ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaring gerefereerd aan het oordeel van de Raad. Voorts heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld, dat mocht de Raad aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit toekomen, de medische en arbeidskundige grondslag daarvan juist zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. De Raad zal eerst de vraag beantwoorden of de rechtbank op goede gronden het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ter beantwoording van deze vraag acht de Raad het volgende van belang. De rechtbank heeft een deskundige, psychiater G.T. Gerssen, benoemd voor het instellen van een onderzoek. In zijn verslag van 14 mei 2008 heeft de deskundige vermeld, dat door het gedrag van appellante, met name haar houding, onvoldoende valide diagnostiek gepleegd kan worden hetgeen impliceert dat de eventuele aanwezige beperkingen die daaruit zouden kunnen voortvloeien, ook niet kunnen worden geduid. De rechtbank heeft op grond hiervan geconcludeerd dat zij niet in staat is om te beoordelen of de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden, en derhalve evenmin kan beoordelen of het beroep gegrond dan wel ongegrond moet worden verklaard. Onder verwijzing naar artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zij het beroep vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

4.1.2. Deze bepaling geeft de rechter ter overweging aan het niet meewerken van een partij de gevolgtrekking te verbinden die hem geraden voorkomt. De meest vergaande gevolgtrekking is niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. In de onderhavige zaak acht de Raad deze gevolgtrekking niet in een evenredige verhouding tot de laakbaarheid van het handelen van appellante. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de deskundigenrapportage naar zijn oordeel niet kan worden afgeleid dat sprake is van een geheel onwillige medewerking. Voorts ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het bij haar aanhangige geding niet anders heeft kunnen beëindigen dan op de wijze als bij de aangevallen uitspraak is gedaan. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.2. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek verricht naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad acht hierbij van belang dat de verzekeringsarts T.C.M. van Hilten appellante tijdens het spreekuur op 19 mei 2005 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Van Hilten heeft vervolgens aanleiding gezien een expertise te laten verrichten. Nadat het expertiserapport van psychiater G.J. Hendriks en psycholoog E.H.M. Oirbons-Erckens op 13 juli 2005 is uitgebracht, heeft de verzekeringsarts aanvullend gerapporteerd en op 5 september 2005 een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Deze FML is door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven nadat hij dossierstudie had verricht en de door appellante in bezwaar overgelegde medische informatie had beoordeeld.

4.3.1. De door appellante ingebrachte medische gegevens vormen voor de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de door de verzekeringsarts vastgestelde (psychische) belastbaarheid. De Raad stelt in dit verband vast dat in het expertiserapport is vermeld dat het niet goed mogelijk is een duidelijke psychiatrische diagnose te stellen, maar dat er waarschijnlijk bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis zonder ernstige beperkingen. Om een duidelijke diagnose te kunnen stellen dient er een diepgaand en uitgebreid onderzoek door middel van een klinische opname dan wel een intensieve thuisobservatie plaats te vinden. Appellante heeft zich vervolgens laten opnemen in het Slingeland ziekenhuis, maar zij besloot dezelfde avond weer naar huis te gaan. De destijds behandelend psychiater J.J.M. Hugen heeft aangegeven dat appellante ook tijdens de dagbehandeling diverse malen niet kwam opdagen, zodat van een goede observatie en diagnostiek geen sprake kan zijn. De verzekeringsarts heeft bij het opstellen van de FML het expertiserapport als basis genomen en heeft beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen.

4.3.2. De in bezwaar ingebrachte brief van appellantes behandelend psychiater S. Güner van 2 november 2005 maakt melding van een ernstige depressieve stoornis, mogelijk met psychotische verschijnselen, een paniekstoornis met agorafobie en een somatisatiestoornis. Güner geeft daarbij wel aan dat het moeilijk is een betrouwbaar beeld te krijgen over de diagnose, vooral wat betreft de aanwezigheid van een psychotische component. Bij brief van 14 april 2008 stelt Güner, naast de meergenoemde diagnose, tevens de diagnose PTSS, chronisch, vanwege de herbelevingen die appellante heeft van de traumatische gebeurtenissen met haar schoonfamilie. In beroep heeft appellante nog een expertiserapport van psychiater W.C. Bohlmeijer van 10 november 2006 in het geding gebracht. Volgens Bohlmeijer is sprake van een paniekstoornis zonder agorafobie en een depressieve stoornis met melancholische en mogelijk psychotische kenmerken en een chronisch beloop. Hij acht appellante niet in staat tot een normale werkbelasting.

4.4. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens aanleiding gezien een deskundige te benoemen aangezien bij haar twijfel is ontstaan aan de door de verzekeringsarts vastgestelde diagnose en beperkingen. De deskundige heeft echter, door onvoldoende medewerking van appellante, aangegeven dat door het ontbreken van een zorgvuldig vast te stellen diagnose er op psychisch gebied geen beperkingen kunnen worden aangegeven. De diagnostiek varieert te veel tussen een aanpassingsproblematiek met angstige en depressieve klachten waarbij slechts sprake is van lichte tot zeer lichte beperkingen en anderzijds van een vorm van depressiviteit die ernstiger van aard is waarbij appellante in de persoonlijke en sociale levenssfeer meer beperkingen zal ondervinden. Volgens de deskundige is de FML gebaseerd op psychische beperkingen conform een aanpassingsstoornis met een gemengd angstig depressieve stemming. Als deze hypothese als uitgangspunt wordt genomen kan de deskundige zich met de aangegeven beperkingen op basis van de aanwezige dossiergegevens verenigen.

4.5. De Raad is van oordeel dat, nu appellante de op haar ingevolge artikel 8:30 van de Awb rustende verplichting om aan het deskundigenonderzoek mee te werken niet is nagekomen, twijfel bestaat over de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb wordt deze twijfel door hem niet in het voordeel van appellante uitgelegd. Gelet daarop houdt de Raad het ervoor dat, nu appellante ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt, de vastgestelde belastbaarheid niet onjuist dient te worden geacht. In het gegeven dat appellante met ingang van 8 november 2006 weer een volledige WAO-uitkering is toegekend, ziet de Raad, gelet op de daaraan ten grondslag liggende medische stukken, geen aanknopingspunt om te oordelen dat de belastbaarheid op de datum in geding is overschat.

4.6. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen staat voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de arbeidskundige rapportages, de bij de schatting betrokken functies binnen de functionele mogelijkheden van appellante liggen.

5. Gelet op het vorenstaande zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) H. Bolt

(get.) I.R.A. van Raaij

IvR