Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
09-1346 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend sector, zodat het medische onderzoek daarom onvolledig zou zijn. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten. Deze geschiktheid ziet de Raad genoegzaam toegelicht in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 19 april 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juli 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1346 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 januari 2009, 07/2523 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker en verlader, toen hij op 4 december 1998 uitviel voor zijn werkzaamheden met klachten naar aanleiding van een verkeersongeval. Bij besluit van 13 september 2001 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant na afloop van de wettelijk voorgeschreven wachttijd met ingang van 3 december 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 november 2002 ongegrond verklaard. Dit besluit op bezwaar is bij uitspraak van deze Raad van 12 januari 2007, 05/42 WAO, vernietigd. Het Uwv is daarbij opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

1.2. Bij besluit van 6 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar wederom ongegrond verklaard onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 3 december 1999 minder dan 15% is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant ondanks zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor passende functies, zonder verlies aan verdiencapaciteit.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te hebben om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan moet worden aangenomen dat er bij hem op de datum in geding, 3 december 1999, meer beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid bestonden dan door de verzekeringsarts zijn aangenomen. Ten aanzien van de psychische klachten is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de in de eerste procedure overgelegde verklaring van zenuwarts H. Loen van 4 oktober 2003, waarnaar appellant in deze procedure heeft verwezen, ziet op de medische toestand van appellant op de datum in geding. De rechtbank volgt dan ook niet het oordeel van appellant dat nu de Raad het besluit op bezwaar van 21 november 2002 heeft vernietigd het Uwv hem opnieuw medisch had moeten laten onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien wat nieuw onderzoek, bij gebreke van nieuwe medische gegevens, aan de beslissing in deze zaak had kunnen bijdragen.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat thans door het Uwv voldoende is aangetoond dat de functie van steksteker binnen de belastbaarheid van appellant valt, zodat deze functie terecht geschikt is geacht voor appellant. In de overige aan de schatting ten grondslag gelegde functies doen zich geen signaleringen van overschrijdingen van de belastbaarheid voor, zodat ook deze functies – gelet op de belastbaarheid van appellant – terecht geschikt zijn bevonden.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd, dat het Uwv onvoldoende medisch onderzoek naar zijn belastbaarheid heeft gedaan, nu het Uwv geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend artsen en nagelaten heeft hem na de uitspraak van de Raad opnieuw te onderzoeken, dat zijn psychische klachten zijn onderschat en dat hij niet in staat is om enige arbeid, en derhalve ook niet de aan de geduide functies verbonden werkzaamheden, te verrichten.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak over de vaststelling van de medische beperkingen bij appellant ten tijde in geding.

4.3. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad nog het volgende. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend sector, zodat het medische onderzoek daarom onvolledig zou zijn. De vaststelling van de belastbaarheid van appellant is mede gebaseerd op brieven van de afdeling orthopedie en traumatologie van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis met informatie over de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. In het dossier ontbreken naar het oordeel van de Raad aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv meer of andere informatie bij een behandelaar van appellant had dienen op te vragen.

4.4. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij door zijn psychische klachten ernstig beperkt is overweegt de Raad, dat appellant door de verzekeringsarts is onderzocht. Deze heeft geen tekenen van ernstige psychopathologie kunnen vaststellen. Appellant heeft bij gelegenheid van dat onderzoek geen melding gemaakt van psychische klachten, noch van enige behandeling daarvoor. Eerst in bezwaar heeft appellant melding gemaakt van psychische klachten en behandeling. Appellant heeft een verklaring van zijn behandelend zenuwarts H. Loen van 4 oktober 2003 ingebracht. Daarop is door het Uwv gereageerd. Aanvullende informatie ter onderbouwing van de ernst en van de periode van ontstaan van de psychische klachten is door appellant niet ingebracht. De Raad tekent aan dat de toezegging van appellant in de vorige procedure in hoger beroep dat hij een uitgebreide rapportage zal overleggen over zijn psychische gesteldheid zonder gevolg is gebleven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de verklaring van Van Loen niet kan worden afgeleid dat deze mede betrekking heeft op de in geding zijnde datum.

4.5. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten. Deze geschiktheid ziet de Raad genoegzaam toegelicht in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 19 april 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 juli 2007.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM