Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
09-2239 WAO + 09-2502 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Bij brief van 23 november 2006 heeft appellant aan betrokkene de re-integratievisie toegestuurd, waarin de afspraken zijn vastgelegd die hij met de arbeidskundige heeft gemaakt. De Raad is allereerst van oordeel dat appellant niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om ook in het voorliggende geval een re-integratievisie op te stellen. Hij verwijst daarvoor naar het in 3.2 en 3.6 overwogene. Verwijzende naar zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG8911 (AB 2009, 43 en USZ 2009/47), stelt de Raad voorop dat een re-integratievisie als de onderhavige een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre deze is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in de re-integratievisie zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met de re-integratievisie is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. De voorliggende re-integratievisie mondt onder punt 14 uit in de conclusie dat appellant een re-integratietraject zonder scholing vergoedt. Door betrokkene aldus mee te delen dat hij (vooralsnog) niet voor scholing in aanmerking komt, heeft naar het oordeel van de Raad aldus een rechtsvaststelling plaatsgevonden met betrekking tot betrokkenes aanspraken op re-integratie. De re-integratievisie is naar het oordeel van de Raad in zoverre op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de onderhavige re-integratievisie niet kan worden aangemerkt als een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit met betrekking tot de re-integratievisie, komt bijgevolg voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Betrokkene betoogt in essentie dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn re-integratie en dat het re-integratietraject opnieuw dient te worden uitgestippeld, rekening houdend met een maximaal te bereiken arbeidsduur van 20 uur per week. Zoals hierna onder 4.3 en 4.4 wordt overwogen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de herziening van de uitkering, in rechte stand kan houden. Mitsdien is er ook vanuit die invalshoek geen grond tot een andere re-integratievisie te komen. Daaruit vloeit voort, dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie in rechte stand kan houden. Hetgeen hiervoor onder 3.11 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van betrokkene tegen de re-integratievisie gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het gemaakte bezwaar tegen de re-integratievisie niet-ontvankelijk is verklaard met de bepaling dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard. De Raad overweegt dat hij in het hoger beroep van betrokkene geen aanknopingspunten heeft gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad voorts genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan betrokkene voorgehouden functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat en dat deze functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2009-10-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2239 WAO + 09/2502 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

en van

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2009, 08/267 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.C.J. Theuns, advocaat te Valkenswaard, eveneens hoger beroep ingesteld.

Appellant en betrokkene hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, die werkzaam is geweest als metselaar, is in december 1995 uitgevallen in verband met rugklachten. Per einde wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Betrokkene is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten op 12 oktober 2006 onderzocht door de verzekeringsarts N. van Gerwen, die heeft vastgesteld dat betrokkene beperkingen ondervindt ten aanzien van het verrichten van arbeid. Deze verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de belastbaarheid van betrokkene is aangegeven. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige M. van Tuijl een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van betrokkene en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 23 november 2006 aan betrokkene meegedeeld dat zijn WAO-uitkering ingaande

24 januari 2007 naar die klasse wordt herzien.

1.3. Bij brief van 23 november 2006 heeft appellant aan betrokkene de re-integratievisie toegestuurd, waarin de afspraken zijn vastgelegd die hij met de arbeidskundige heeft gemaakt.

1.4. Betrokkene heeft zowel tegen het besluit van 23 november 2006, als tegen de brief van 23 november 2006 bezwaar gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz op basis van dossierstudie en eigen onderzoek in zijn rapportage van 6 november 2007 aangegeven dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling wordt herzien in verband met de opgenomen beperkende toelichtingen. Op basis van deze medische rapportage en de aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk in zijn rapportage van 27 november 2007 aangegeven dat een eerder aan de schatting ten grondslag gelegde functie wordt vervangen door een andere functie, maar dat dit onveranderd resulteert in een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 november 2006 tot herziening van zijn uitkering bij besluit van 10 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit is het bezwaar tegen de brief van 23 november 2006, waarbij de re-integratievisie is toegezonden, eveneens ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de herziening van de WAO-uitkering, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en voorts dat betrokkene met die medische beperkingen in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Mitsdien heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 24 januari 2007 terecht en op goede gronden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.2. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie, is door de rechtbank gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de re-integratievisie geen verplichtingen voor betrokkene zijn opgenomen, die niet reeds rechtstreeks uit de wet voortvloeien. Derhalve wordt de re-integratievisie niet aangemerkt als een besluit dat is gericht op rechtsgevolg.

3. Oordeel van de Raad inzake het hoger beroep van appellant.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat een re-integratievisie, ook voor zover deze – zoals in dit geval – is opgesteld in het kader van de uitvoering van de WAO, als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden aangemerkt. Uit oogpunt van rechtsbescherming acht appellant een re-integratievisie steeds, ook als de betrokken re-integratievisie geen gewenste concretisering van wettelijke rechten en verplichtingen bevat, aan te merken als een appellabel besluit. Toegespitst op het voorliggende geval heeft appellant gewezen op hetgeen in de onderhavige re-integratievisie onder punt 13.1 is vermeld, waarin is aangegeven dat scholing voor betrokkene niet noodzakelijk is maar dat een cursus of kort (intern) opleidingstraject in een later stadium geadviseerd kan worden door het re-integratiebedrijf. Naar de mening van appellant gaat het hier om een concrete, op rechtsgevolg gerichte afspraak. Er is concreet vastgesteld dat voor betrokkene scholing op dat moment (nog) niet noodzakelijk is, dus dat hem een recht dat hij op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) heeft, hem (nog) niet geboden wordt.

3.2. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wet Suwi bepaalt, voor zover hier van belang, dat appellant tot taak heeft uitvoering te geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen alsmede te bevorderen, dat personen die recht hebben op een wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering worden ingeschakeld in het arbeidsproces.

3.3. Artikel 30a, eerste lid, van de Wet Suwi luidt als volgt:

“Nadat het recht op een uitkering op grond van wetten als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, uitgezonderd de wettelijke ziekengeldverzekering, is vastgesteld, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien gelet op de aard van de uitkering de taak, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd, in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde een reïntegratievisie vast waarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn vermeld.”

3.4. Artikel 83l van de Wet Suwi bepaalt dat artikel 30a van die wet niet van toepassing is met betrekking tot de uitkeringsgerechtigde wiens recht op uitkering op grond van de in dat artikel genoemde wetten vóór de dag van inwerkingtreding van dat artikel is ontstaan.

3.5. Artikel 25 van de WAO bepaalt, kort gezegd, dat het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigert, indien degene die een WAO-uitkering aanvraagt of ontvangt, heeft geweigerd aan een aantal in dit artikel genoemde verplichtingen te voldoen.

3.6. In artikel 28, aanhef en onder j, van de WAO is bepaald dat het Uwv handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van de WAO, indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet Suwi, of in het re-integratieplan, bedoeld in 30a, derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen.

3.7. De Raad is allereerst van oordeel dat appellant niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om ook in het voorliggende geval een re-integratievisie op te stellen. Hij verwijst daarvoor naar het in 3.2 en 3.6 overwogene. Verwijzende naar zijn uitspraak van 10 december 2008, LJN BG8911 (AB 2009, 43 en USZ 2009/47), stelt de Raad voorop dat een re-integratievisie als de onderhavige een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre deze is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in de re-integratievisie zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met de re-integratievisie is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan.

3.8. De voorliggende re-integratievisie mondt onder punt 14 uit in de conclusie dat appellant een re-integratietraject zonder scholing vergoedt. Door betrokkene aldus mee te delen dat hij (vooralsnog) niet voor scholing in aanmerking komt, heeft naar het oordeel van de Raad aldus een rechtsvaststelling plaatsgevonden met betrekking tot betrokkenes aanspraken op re-integratie. De re-integratievisie is naar het oordeel van de Raad in zoverre op rechtsgevolg gericht, zodat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de onderhavige re-integratievisie niet kan worden aangemerkt als een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat betrokkene niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit met betrekking tot de re-integratievisie, komt bijgevolg voor vernietiging in aanmerking.

3.9. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak in zoverre naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

3.10. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

3.11. Betrokkene betoogt in essentie dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn re-integratie en dat het re-integratietraject opnieuw dient te worden uitgestippeld, rekening houdend met een maximaal te bereiken arbeidsduur van 20 uur per week. Zoals hierna onder 4.3 en 4.4 wordt overwogen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de herziening van de uitkering, in rechte stand kan houden. Mitsdien is er ook vanuit die invalshoek geen grond tot een andere re-integratievisie te komen. Daaruit vloeit voort, dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de re-integratievisie in rechte stand kan houden.

3.12. Hetgeen hiervoor onder 3.11 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van betrokkene tegen de re-integratievisie gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het gemaakte bezwaar tegen de re-integratievisie niet-ontvankelijk is verklaard met de bepaling dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

4. Oordeel van de Raad inzake het hoger beroep van betrokkene.

4.1. Betrokkene heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de ernst van zijn medische beperkingen is onderschat en dat geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de geschikte arbeidsmogelijkheden mitsdien zijn geselecteerd op onjuiste en ondeugdelijk vastgestelde beperkingen.

4.2. Appellant heeft zich in verweer, daarbij verwijzend naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 1 juli 2009, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van betrokkene de juiste medische beperkingen aangenomen.

4.3. De Raad overweegt dat hij in het hoger beroep van betrokkene geen aanknopingspunten heeft gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de door betrokkene in hoger beroep overgelegde medische gegevens die dateren vanaf 1993 geen ander licht werpen op de medische situatie van betrokkene op de datum in geding, terwijl ook de verzekeringsarts inzichtelijk heeft gerapporteerd van zijn bevindingen bij het onderzoek van betrokkene op

12 oktober 2006. Nu door betrokkene, ondanks een aankondiging daartoe, geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Betrokkene heeft al met al in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door appellant vastgestelde functionele mogelijkheden van betrokkene op de datum in geding, zijnde 24 januari 2007.

4.4. In de voorhanden zijnde gegevens ziet de Raad voorts genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan betrokkene voorgehouden functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat en dat deze functies voor hem in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

4.5. Uit het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover door betrokkene aangevochten.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep van betrokkene tegen de

re-integratievisie gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het gemaakte bezwaar tegen de re-integratievisie niet-ontvankelijk is verklaard met de bepaling dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM