Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08-1541 WIA + 08-3292 WIA + 08-5975 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en bij besluit van 30 mei 2008 opnieuw op het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 10 februari 2006 beslist. Bij dit besluit heeft het Uwv – na een arbeidskundige herbeoordeling – appellant per 2 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend omdat appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt is. Bij dit besluit is aan appellant een zogenoemde loongerelateerde uitkering toegekend en hem meegedeeld dat deze uitkering met ingang van 2 oktober 2006 wordt omgezet in een vervolguitkering. Nu het Uwv bij besluit van 30 mei 2008, zoals verduidelijkt bij brief van 22 september 2008, niet geheel is tegemoetgekomen aan appellant dient de Raad het besluit van 30 mei 2008, zoals ter zitting nader toegelicht, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure te betrekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage – en daarmee de grondslag voor de vaststelling van de inkomenseis – onjuist heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1541 WIA, 08/3292 WIA en 08/5975 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 januari 2008, 06/4264 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 30 mei 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 februari 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant per 2 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij per 2 januari 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 17 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 17 juli 2006 gegrond verklaard, het besluit van 17 juli 2006 vernietigd en besluiten genomen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 17 juli 2006 juist is. Vernietiging van het besluit van 17 juli 2006 heeft plaatsgevonden omdat naar het oordeel van de rechtbank de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet voldoende was toegelicht.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 17 juli 2006 juist is. Naar zijn mening is onvoldoende rekening gehouden met de bij hem bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid.

4.1. De Raad volgt appellant niet in diens opvatting dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 17 juli 2006 juist is.

4.2. De rechtbank heeft haar oordeel mede doen steunen op een rapport van de door haar als medische deskundige ingeschakelde reumatoloog drs. P.J.I. van ’t Pad Bosch, gedateerd 19 juli 2007. Deze deskundige is tot het oordeel gekomen dat de door het Uwv voor appellant vastgestelde beperkingen juist zijn.

In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken.

Dat – naar appellant heeft gesteld – zijn medisch adviseur, reumatoloog B.A. Mašek, zich niet kan verenigen met het oordeel van de deskundige levert zo’n aanleiding niet op. In de vraagstelling aan de deskundige is uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de opvatting van Mašek, zoals opgenomen in diens rapport van 14 december 2006. De deskundige was mitsdien bij het uitbrengen van zijn advies op de hoogte van de – van zijn oordeel afwijkende – opvatting van Mašek. Dat Mašek na kennisname van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde medische deskundige bij zijn opvatting blijft, doet aan het oordeel van de deskundige niet af.

4.3. Ook hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de beperkingen die hij in het dagelijks leven ondervindt is onvoldoende voor een afwijking als bedoeld in overweging 4.2.

4.4. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel.

5.1. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en bij besluit van 30 mei 2008 opnieuw op het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 10 februari 2006 beslist. Bij dit besluit heeft het Uwv – na een arbeidskundige herbeoordeling – appellant per 2 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend omdat appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt is. Bij dit besluit is aan appellant een zogenoemde loongerelateerde uitkering toegekend en hem meegedeeld dat deze uitkering met ingang van 2 oktober 2006 wordt omgezet in een vervolguitkering.

5.2. Bij brief van 22 september 2008, zoals nader toegelicht ter zitting, heeft het Uwv het besluit van 30 mei 2008 verduidelijkt in die zin dat met de term vervolguitkering beoogd is aan te geven dat appellant per 2 oktober 2006 – afhankelijk van de omstandigheden – in aanmerking komt voor een vervolg- of loonaanvullingsuitkering.

5.3. Nu het Uwv bij besluit van 30 mei 2008, zoals verduidelijkt bij brief van 22 september 2008, niet geheel is tegemoetgekomen aan appellant dient de Raad het besluit van 30 mei 2008, zoals ter zitting nader toegelicht, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure te betrekken.

6. Appellant heeft bij brief van 11 juli 2008 nog aangevoerd dat hij niet in staat is de functies waarop de schatting uiteindelijk berust te vervullen. Dit standpunt berust op het door de Raad niet gedeelde uitgangspunt dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld en treft mitsdien geen doel.

7.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage – en daarmee de grondslag voor de vaststelling van de inkomenseis – onjuist heeft vastgesteld.

7.2. Hetgeen appellant in zijn brief heeft opgemerkt omtrent de aard van de uitkering die hij naar zijn mening dient te ontvangen na de loongerelateerde uitkering behoeft geen bespreking reeds omdat het Uwv met zijn nadere brief van 22 september 2008 de gedane mededeling – die ook naar de opvatting van de gemachtigde van het Uwv tot misverstanden aanleiding kan geven – alsnog op juiste wijze en in overeenstemming met hetgeen appellant heeft gesteld, heeft verwoord.

7.3. Het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 30 mei 2008, zoals verduidelijkt bij brief van 22 september 2008 en nader toegelicht ter zitting van de Raad, dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

7.4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 30 mei 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

EK