Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
08/1042 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek door de (bezwaar-)verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Wat betreft het argument van appellant dat de (bezwaar-)verzekeringsarts ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het dagverhaal van appellant, is de Raad van oordeel dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 januari 2007 blijkt dat de dagelijkse activiteiten van appellant met hem zijn besproken. Uit de onder “Anamnese” vermelde dagelijkse activiteiten valt naar het oordeel van de Raad niet op te maken dat appellant dagelijks rust. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het onderzoek van de (bezwaar-) verzekeringsarts op dit punt onzorgvuldig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1042 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 januari 2008, 07/1847 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Namens appellant is verschenen mr. F. Hofstra, advocaat te Leeuwarden. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 9 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit van 29 januari 2007 tot beëindiging van de WAO-uitkering van appellant per 30 maart 2007 niet langer gehandhaafd. Na gegrond verklaring van het bezwaar, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 30 maart 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard waarbij zij (voor zover in dit geding van belang) heeft overwogen dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen.

2. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad een toelichting gegeven op het hoger beroepschrift. Hierbij heeft zij aangegeven dat het hoger beroep enkel is gericht tegen de hierboven vermelde overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv. Zij heeft aangevoerd dat appellant door zijn sterk wisselende belastbaarheid niet in staat is om duurzaam arbeid te verrichten. Subsidiair is aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen duurbeperking heeft opgenomen. Ten eerste blijkt uit de informatie van cardioloog dr. P.G. Pieper van 12 november 2007 dat de totale energie van appellant over de dag verminderd is ten gevolge van de gedilateerde en verminderde kamerfuncties en de ritmestoornissen van het hart. Voorts is de stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat niet is gebleken dat appellant overdag systematisch rust, ongefundeerd nu geen onderzoek is gedaan naar het dagverhaal van appellant. Nu de (bezwaar-)verzekerings-arts en de behandelende cardioloog van mening verschillen over de belastbaarheid van appellant verzoekt de gemachtigde van appellant de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

3. Het Uwv heeft het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt in hoger beroep gehandhaafd. Hierbij heeft zij (onder andere) verwezen naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer van 3 maart 2008.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek door de (bezwaar-)verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 juli 2007. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne.

Wat betreft het argument van appellant dat de (bezwaar-)verzekerings-arts ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar het dagverhaal van appellant, is de Raad van oordeel dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 januari 2007 blijkt dat de dagelijkse activiteiten van appellant met hem zijn besproken. Uit de onder “Anamnese” vermelde dagelijkse activiteiten valt naar het oordeel van de Raad niet op te maken dat appellant dagelijks rust. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het onderzoek van de (bezwaar-) verzekeringsarts op dit punt onzorgvuldig te achten.

Voorts is de Raad van oordeel dat de in hoger beroep ingediende brieven van cardioloog Pieper van 12 november 2007 en van 27 februari 2008 niet afdoen aan de in de FML van 4 juli 2007 vastgestelde belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft bij rapportages van 3 maart 2008 en 14 augustus 2009 toegelicht waarom deze brieven haar geen aanleiding geven om tot een ander medisch oordeel te komen ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 30 maart 2007. Zij heeft (kort samengevat) aangegeven dat de brief van 12 november 2007 van cardioloog Pieper geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat. Met het feit dat het hart van appellant niet optimaal functioneert en dat ten gevolge hiervan zijn inspanningsvermogen bij een inspanningstest op 75% is vastgesteld, is rekening gehouden bij het vaststellen van zijn functionele mogelijkheden. Blijkens de brief van de cardioloog van 27 februari 2008 heeft appellant in februari 2008 voor de eerste keer na de pacemaker-implantatie in 2002 weer last van een persisterende supraventriculaire ritmestoornis, waarvoor een cardioversie nodig is. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop aangegeven dat hieruit blijkt dat de pacemaker tot januari 2008 goed heeft gefunctioneerd en dat de informatie in de brief van 27 februari 2008 dan ook niets zegt over de belastbaarheid van appellant op 30 maart 2007. De Raad acht deze toelichting voldoende inzichtelijk en ook overtuigend.

4.3. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard.

4.4. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR