Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
05-2636 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar de WAO-uitkering van appellant over de periode van 12 januari 2004 tot 19 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is overwogen dat de herziening van deze uitkering per 19 mei 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% rechtens vaststaat. Bij dit besluit heeft het Uwv bepaald dat besluit 1 niet wordt gehandhaafd. Bij besluit 2 is het Uwv volledig tegemoet gekomen aan hetgeen appellant in het onderhavige geding heeft verzocht, zijnde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van de WAO met ingang van 12 januari 2004. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:24 van de Awb wordt het beroep gericht tegen besluit 1 derhalve niet geacht gericht te zijn tegen besluit 2. Nu appellant in hoger beroep echter heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding heeft hij nog een belang bij de beoordeling van besluit 1 behouden. Nu besluit 2 in de plaats is getreden van besluit 1 en daarmee de onrechtmatigheid van besluit 1 is komen vast te staan, kunnen, naar het oordeel van de Raad, de aangevallen uitspraak en besluit 1 niet in stand blijven, aangezien het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 januari 2004 ten onrechte heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Gelet hierop dient het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de door appellant gevorderde wettelijke rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495). Naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig onder de onrechtmatigheid van besluit 1 heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Naar het oordeel van de Raad valt het verzoek om herziening van de WAO-uitkering over de periode 19 mei 2005 tot 23 maart 2006 buiten de omvang van dit geding. Naar het de Raad voorkomt is het Uwv bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. De Raad zal dan ook het verzoek met onderliggende stukken ter nadere behandeling doorzenden aan het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2636 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2005, 04/1810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad heeft de longarts F.M.L. Palmen een rapport, gedateerd 26 maart 2009, uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 16 september 2009. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 19 december 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 12 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Het tegen het besluit van 19 december 2003 gerichte bezwaar is bij besluit van 22 juli 2004 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar van

12 juni 2009 (hierna: besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2003 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant over de periode van 12 januari 2004 tot 19 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is overwogen dat de herziening van deze uitkering per 19 mei 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% rechtens vaststaat. Bij dit besluit heeft het Uwv bepaald dat besluit 1 niet wordt gehandhaafd.

3.2. In een reactie op besluit 2 heeft appellant onder meer, zoals is aangegeven in zijn brief van 1 juli 2009, verzocht om herziening van het besluit waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 mei 2005 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Ook over de periode van 19 mei 2005 tot 23 maart 2006 bestaat recht op een volledige WAO-uitkering, aldus appellant. Tevens heeft appellant verzocht om een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente en de door hem geleden immateriële schade.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Bij besluit 2 is het Uwv volledig tegemoet gekomen aan hetgeen appellant in het onderhavige geding heeft verzocht, zijnde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van de WAO met ingang van 12 januari 2004. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:24 van de Awb wordt het beroep gericht tegen besluit 1 derhalve niet geacht gericht te zijn tegen besluit 2. Nu appellant in hoger beroep echter heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding heeft hij nog een belang bij de beoordeling van besluit 1 behouden.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt bij de beoordeling van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

4.4. Nu besluit 2 in de plaats is getreden van besluit 1 en daarmee de onrechtmatigheid van besluit 1 is komen vast te staan, kunnen, naar het oordeel van de Raad, de aangevallen uitspraak en besluit 1 niet in stand blijven, aangezien het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 januari 2004 ten onrechte heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Gelet hierop dient het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de door appellant gevorderde wettelijke rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).

4.5. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 16 april 1996 (LJN ZB5901) heeft overwogen, onderkent de Raad dat geestelijk letsel van een benadeelde onder omstandigheden kan worden aangemerkt als aantasting van zijn persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere

persoonlijkheidsrechten van betrokkene. Voorts moet worden bedacht, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995 (LJN ZC1608), dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan. De Raad acht het aannemelijk dat bij appellant dergelijke gevoelens zijn ontstaan naar aanleiding van het onrechtmatige besluit 1. Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij – in afwijking van het zojuist overwogene – zodanig onder de onrechtmatigheid van besluit 1 heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 BW.

4.6. Naar het oordeel van de Raad valt het verzoek om herziening van de WAO-uitkering over de periode 19 mei 2005 tot 23 maart 2006 buiten de omvang van dit geding. Naar het de Raad voorkomt is het Uwv bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. De Raad zal dan ook het verzoek met onderliggende stukken ter nadere behandeling doorzenden aan het Uwv.

5. Nu appellant geen daarvoor in aanmerking komende kosten heeft opgevoerd, ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 juli 2004;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de schade op de wijze als in 4.4 is aangegeven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL