Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-5740 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel wegens onvoldoende meewerken aan re-integratieactiviteiten. Naar het oordeel van de Raad is echter met de vaststelling dat de ontvangst van de brief van 10 oktober 2006 twijfelachtig is, een deel van de reden om tot oplegging van een maatregel over te gaan komen te vervallen. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat daarmee de feitelijke grondslag aan de gehele maatregel is komen te ontvallen, zodat de maatregel niet in stand kan blijven, waarmee de Raad in het midden kan laten of de eveneens aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten voldoende vaststaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5740 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 september 2008, 07/2108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellante ontving sinds 28 februari 2005 een WW-uitkering. Met brieven van 27 juli 2006 en 29 augustus 2006 is appellante opgeroepen voor een afspraak bij de re-integratiecoach van het Uwv op respectievelijk 29 augustus 2006 en 12 september 2006. Appellante is op die afspraken niet verschenen. Als reden hiervan heeft zij opgegeven dat zij de afspraak van 29 augustus 2006 was vergeten en dat zij op 12 september 2006 wegens werk was verhinderd. Appellante heeft hierover meermalen gebeld, maar het Uwv was volgens haar telefonisch niet bereikbaar. Bij brief van brief van 10 oktober 2006 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante geschorst met ingang van 25 september 2006 omdat zij zonder geldige reden tweemaal niet is verschenen op een afspraak met de re-integratiecoach. Daarbij is medegedeeld dat de uitkering kan worden voortgezet indien appellante vóór 17 oktober 2006 een nieuwe afspraak maakt en anders definitief zal worden beëindigd. Appellante heeft hierop niet gereageerd.

3. Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 25 september 2006 beëindigd omdat appellante tot tweemaal toe niet is verschenen op een gesprek bij de re-integratiecoach van het Uwv en zij vóór 17 oktober 2006 geen nieuwe afspraak heeft gemaakt.

4. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 30 oktober 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit niet in stand gelaten. Het Uwv heeft de uitkering van appellante per 25 september 2006 weer betaalbaar gesteld en per 17 oktober 2006 een maatregel opgelegd in verband met het onvoldoende meewerken aan re-integratieactiviteiten en dus het niet voldoen aan de re-integratieverplichting. In het feit dat appellante regelmatig werkte en niet zeker was of zij de brief van 10 oktober 2006 had ontvangen zag het Uwv aanleiding voor de maatregel te matigen tot 10% gedurende 16 weken.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank -samengevat- overwogen dat vast is komen te staan dat appellante op twee afspraken niet is verschenen. De afspraak van 29 augustus 2006 is zij vergeten. Voor de afspraak van 12 september 2006 was zij wegens werk verhinderd, maar zij heeft dat niet tijdig aan het Uwv gemeld. Appellante is daardoor de verplichting om mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid niet nagekomen, hetgeen haar kan worden verweten. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de maatregel mede is opgelegd wegens het niet verschijnen op de twee afspraken en het Uwv de maatregel heeft gematigd omdat de brief van 10 oktober 2006 niet door appellante is ontvangen.

6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de WW-uitkering in eerste instantie was stopgezet omdat zij niet had gereageerd op de brief van 10 oktober 2006. Dit was ook de inzet van de bezwaarprocedure. Nu in bezwaar is gebleken dat appellante deze brief niet heeft ontvangen, is de stopzetting ongedaan gemaakt. Ten onrechte is voorts een maatregel opgelegd op basis van gedragingen die niets met de stopzetting te maken hadden. Appellante heeft gesteld dat het Uwv hiermee buiten de grenzen van het geding is getreden. Dat appellante de afspraken niet is nagekomen was voor het Uwv immers geen aanleiding om een maatregel op te leggen. Dit was eerst het geval na de brief van 10 oktober 2006. Appellante heeft gesteld dat het in strijd is met de rechtszekerheid om alsnog een maatregel op te leggen nu niet is vast komen te staan dat die brief is verzonden.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is een werknemer verplicht mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, bedoeld in de hoofdstukken VI en XA van de WW. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 26 van de WW opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Artikel 27, vierde lid, van de WW bepaalt dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid en dat van het opleggen van een maatregel in elk geval wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ingevolge artikel 27, achtste lid, van de WW stelt het Uwv nadere regels met betrekking tot het derde en vierde lid. Deze nadere regels waren ten tijde hier in geding opgenomen in het Maatregelenbesluit UWV.

7.2. In de bijlage bij het Maatregelenbesluit UWV is de verplichting van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW opgenomen in de vierde categorie. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit UWV bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting opgenomen in de vierde categorie van de WW 20% gedurende 16 weken. Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt de hoogte van de maatregel 10% indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft.

7.3. De Raad stelt vast dat in eerste instantie een maatregel van 20% gedurende 16 weken is opgelegd omdat appellante op twee afspraken niet is verschenen, zich niet tijdig heeft afgemeld en niet heeft gereageerd op de oproep in de brief van 10 oktober 2006 om vóór 17 oktober 2006 een nieuwe afspraak te maken. In bezwaar heeft appellante de ontvangst van de brief ontkend en heeft het Uwv vastgesteld dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat appellante de brief daadwerkelijk heeft ontvangen. Mede daarom heeft het Uwv reden gezien om de opgelegde maatregel te matigen tot 10% gedurende

16 weken.

7.4. Naar het oordeel van de Raad is echter met de vaststelling dat de ontvangst van de brief van 10 oktober 2006 twijfelachtig is, een deel van de reden om tot oplegging van een maatregel over te gaan komen te vervallen. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat daarmee de feitelijke grondslag aan de gehele maatregel is komen te ontvallen, zodat de maatregel niet in stand kan blijven, waarmee de Raad in het midden kan laten of de eveneens aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten voldoende vaststaan.

7.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw op het bezwaar van appellante dienen te beslissen.

8. De Raad acht termen aanwezig voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaalt deze kosten op € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW