Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
07-677 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling: ongewijzigde WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In de door appellante in hoger beroep overgelegde rapporten van de neuroloog De Graaf heeft de Raad (...) aanleiding gezien de (...) neuroloog Van der Ploeg te benoemen als deskundige teneinde een medisch onderzoek in te stellen. De deskundige kan zich in grote lijnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de FML. Hij ziet voorts geen neurologische argumenten om appellante niet in staat te stellen tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Nadere motivering in hoger beroep. Instandlating rechtsgevolgen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:31, geldigheid: 2009-10-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/386
JB 2009/277
ABkort 2009/472

Uitspraak

07/677 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 december 2006, 05/770 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Abel, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2008. Namens appellante is verschenen mr. J.R. Beukema, eveneens werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

De Raad heeft dr. R.J.O. van der Ploeg, neuroloog, benoemd als deskundige teneinde een onderzoek in te stellen naar de gezondheidstoestand van appellante. De deskundige heeft op 19 juni 2009 rapport uitgebracht van zijn bevindingen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 september 2009. Namens appellante is verschenen mr. J.R. Beukema, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was op 17 augustus 2002 betrokken bij een auto-ongeval. Ten gevolge van hoofdpijn, nek- en duizeligheidsklachten is zij voor haar werk van administratief medewerkster uitgevallen. Met ingang van 18 augustus 2003 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uitkering met ingang van 20 april 2004 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. In 2004 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden en is medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2004 beslist dat de WAO-uitkering van appellante ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bewaar is bij besluit van 23 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft in beroep bij de rechtbank de juistheid van het bestreden besluit betwist en ter ondersteuning van haar standpunt een rapport van 30 september 2005 van de klinisch psycholoog W.D. van der Zwaag overgelegd. In reactie op dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 19 december 2005 uiteengezet, dat er geen duidelijke verklaring is voor de door appellante aangevoerde ernst van haar beperkingen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met betrekking tot de medische grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat nu vaststaat dat appellante geweigerd heeft medewerking te verlenen aan het door de rechtbank ingestelde deskundigenonderzoek, met toepassing van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden uitgegaan van de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de bevindingen van het neuropsychologisch onderzoek van Van der Zwaag blijkt dat haar cognitieve beperkingen ernstiger zijn dan in de FML is vastgelegd, zodat zij niet in staat is de werkzaamheden in de geduide functies te vervullen. Zij meent dat het medisch onderzoek waarop het bestreden besluit is gebaseerd onzorgvuldig is en dat haar beperkingen in strijd met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) en het Schattingsbesluit zijn vastgesteld. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij in hoger beroep nog diverse stukken en medische rapporten overgelegd, waaronder de op haar verzoek uitgebrachte expertiserapporten van de neuroloog J. de Graaf van 23 mei 2007 en 9 december 2007. Met betrekking tot de werkzaamheden van Van der Zwaag en De Graaf heeft appellante nota’s ingediend.

3.2. Het Uwv heeft in verweer het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Naar de mening van het Uwv heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn onder 2.1 vermelde rapport van 19 december 2005 gemotiveerd onderbouwd dat het onderzoek van Van der Zwaag geen duidelijke verklaring geeft voor de ernst en de mate van de waargenomen stoornissen. In reactie op de rapporten van De Graaf heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 18 februari 2008 er op gewezen dat De Graaf de bevindingen van het neuropsychologisch onderzoek van Van der Zwaag heeft overgenomen en dat de rapporten van De Graaf geen nieuwe medische feiten opleveren. Naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts vertaalt De Graaf de klachten en ervaren belemmeringen één op één naar beperkingen bij een medisch beeld met weinig objectieve afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts ziet dan ook geen medisch argument om af te wijken van de inschatting van de beperkingen per de datum in geding. Het Uwv volgt dit standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting partijen er niet over van mening verschillen dat bij appellante sprake is van ziekte of gebrek, ten gevolge waarvan zij een beperkte belastbaarheid heeft voor arbeid. Partijen verschillen van mening omtrent de aard en de ernst van de beperkingen die daaruit voortvloeien. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij meer cognitieve beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen.

4.2. De Raad overweegt dat nu door appellante geen medewerking was verleend aan het door de rechtbank ingestelde deskundigenonderzoek, de rechtbank is uitgegaan van de juistheid van de FML en haar uitspraak daarop heeft gebaseerd. In de door appellante in hoger beroep overgelegde rapporten van de neuroloog De Graaf heeft de Raad echter aanleiding gezien de in rubriek I genoemde neuroloog Van der Ploeg te benoemen als deskundige teneinde een medisch onderzoek in te stellen. Naar het oordeel van de Raad verzet artikel 8:31 van de Awb zich niet tegen deze benoeming.

4.3. Bij zijn in rubriek I vermelde rapport van 19 juni 2009 is de deskundige Van der Ploeg tot de conclusie gekomen dat op 30 september 2004, de datum in geding, er sprake was van myofasciale pijnklachten, medicamenteus behandelde angina pectoris en klachten in de cognitieve sfeer zonder neurologisch substraat. Er ontbreekt een goede samenhang tussen de neuropsychologische bevindingen en een neurologisch oordeel. De deskundige kan zich in grote lijnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de FML. Hij ziet voorts geen neurologische argumenten om appellante niet in staat te stellen tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

4.4. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgende. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Naar het oordeel van de Raad heeft het (medisch) onderzoek door de deskundige op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Zijn conclusies zijn inzichtelijk en consistent onderbouwd. Daarbij is tevens rekening gehouden met de door appellante ingebrachte (medische) informatie. Niet valt in te zien dat de deskundige bij zijn verslaglegging het MAOC, zoals neergelegd in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit, heeft miskend.

4.5. Op basis van het rapport van de deskundige van 19 juni 2009 is de Raad van oordeel dat in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen aanknopingspunt te vinden is voor de juistheid van haar standpunt dat zij meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv in de FML is vastgelegd. Alhoewel Van der Zwaag op grond van zijn neuropsychologisch onderzoek bij appellante cognitieve tekorten heeft vastgesteld, op welke bevindingen de rapporten van De Graaf zijn gebaseerd, heeft de Raad vaker geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 23 april 2008 (LJN BD1914), dat deze tekorten in een medisch-specialistisch rapport herleid dienen te worden naar medisch vastgestelde stoornissen. De Raad stelt met het Uwv vast dat daarvan niet is gebleken.

4.6. De Raad komt dan ook, met de rechtbank, tot de conclusie dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Voor een keuring door een psychiater, zoals door de deskundige Van der Ploeg is voorgesteld, ziet de Raad, mede gelet op de reacties van partijen op het deskundigenrapport, geen aanleiding.

4.7. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML, is ook de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van 30 juli 2008 is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellante.

4.8. Nu echter eerst in de fase van het hoger beroep een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies is verstrekt, kan het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Wel bestaat gelet op het vorenoverwogene aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad is van oordeel dat de vordering van de kosten van de door appellante ingebrachte medische rapporten voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de Raad voor de rapporten van De Graaf en Van der Zwaag de forfaitaire vergoeding op € 1.368,53. De overige proceskosten in beroep en in hoger beroep worden begroot op € 322,- respectievelijk € 805,- voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.495,53.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.495,53;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

EK