Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-624 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand in verband met de inwoning, niet meer ten laste komende, dochter. Omvang geding: De Raad is van oordeel dat de rechtbank, gelet op het verhandelde ter zitting op 29 november 2007, ten onrechte zonder nadere motivering heeft overwogen dat uitsluitend nog in geding is de herziening van bijstand in verband met de inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De Raad is evenwel tevens van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde dat appellante eerst ter zitting van de rechtbank de omvang van het beroep heeft willen uitbreiden. Appellante heeft (...) in strijd met de op haar rustende inlichtingen- verplichting gehandeld door over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 26 juli 2000 geen opgave te doen van de inwoning van de dochter. Dit geldt eveneens voor de periode van 22 januari 2003 tot en met 30 september 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 267

Uitspraak

08/624 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 december 2007, 07/694 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College).

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2009. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontvangt vanaf 15 december 1977 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Met ingang van 26 augustus 1999 is de bijstand van appellante, berekend naar de norm voor een alleenstaande, gewijzigd in die zin dat zij niet langer in aanmerking komt voor de gemeentelijke toeslag van 20%, maar van 5% omdat zij geacht wordt de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen delen met haar kostganger [naam kostganger]. In de periode van 27 juli 2000 tot 22 januari 2003 is appellante niet langer in aanmerking gekomen voor een gemeentelijke toeslag en is op haar bijstand 5% van het wettelijk minimumloon in mindering gebracht in verband met de inwoning van haar, niet ten laste komende, dochter Michaela.

1.4. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante mogelijk onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot haar woon-, leef- en/of inkomenssituatie heeft de unit sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen onderzoek verricht. Dit onderzoek bestond onder meer uit een huisbezoek en het verhoor van appellante en [kostganger]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 13 december 2005.

1.5. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 16 december 2005 de bijstand van appellante met ingang van 26 augustus 1999 in te trekken op de grond dat zij vanaf die datum, zonder daarvan aan het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding voert met [kostganger]. Bij dat besluit heeft het College tevens de over de periode van 26 augustus 1999 tot en met 30 september 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.537,40 bruto van appellante teruggevorderd en dat bedrag eveneens van [kostganger] teruggevorderd. Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het College het bezwaar van appellante en [kostganger] tegen het besluit van 16 december 2005 ongegrond verklaard. In het besluit van 30 mei 2006 is onder meer overwogen dat appellante geen melding heeft gemaakt van de inwoning van haar, niet meer ten laste komende, dochter in de perioden van 1 september 1999 tot en met 26 juli 2000 en van 22 januari 2003 tot en met 30 september 2005, waardoor over die perioden teveel bijstand aan appellante is verstrekt. Terugvordering van kosten van bijstand op grond daarvan was evenwel niet aan de orde, omdat de gemaakte kosten van bijstand vanaf 23 augustus 1999 reeds volledig zijn teruggevorderd.

1.6. De rechtbank Maastricht heeft bij de uitspraak van 28 februari 2007 het beroep van appellante tegen het besluit van 30 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet kan worden tegengeworpen dat zij in 1999 heeft verklaard dat [kostganger] kostganger was en dat er tussen haar en [kostganger] geen sprake was van een (affectieve) relatie. Dit heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat op dit punt geen schending van de inlichtingenverplichting kan worden aangenomen.

1.7. Op 10 mei 2007 heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.

1.8. Bij besluit op bezwaar van 15 juni 2007 heeft het College het besluit van 16 december 2005 herroepen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand met ingang van 26 augustus 1999 en de terugvordering van gemaakte kosten tot een bedrag van € 52.537,40. Bij het besluit van 15 juni 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de perioden van 1 oktober 1999 tot en met 26 juli 2000 en van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2005 herzien in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met de inwonende, niet meer ten laste komende, dochter en de als gevolg daarvan over genoemde perioden ten onrechte gemaakte kosten tot een bedrag van € 7.437,27 bruto van appellante teruggevorderd. Bij het besluit van 15 juni 2007 heeft het College tevens de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2005 ingetrokken, op de grond dat appellante zich met die intrekking akkoord heeft verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 juni 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat uitsluitend in geding is de herziening van bijstand in verband met de inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 juni 2007 ongegrond is verklaard. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de intrekking van bijstand met ingang van 1 oktober 2005 buiten de beoordeling heeft gelaten. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij in oktober 1999 de inwoning van haar dochter heeft gemeld aan haar consulent bij de sociale dienst. Appellante betwist dat haar meerderjarige dochter onafgebroken in de periode van 1 oktober 1999 tot 1 oktober 2005 bij haar heeft gewoond. In januari 2003 is zij vertrokken en op 1 juli 2003 teruggekeerd, waarvan appellante op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier (hierna: rof) van mei 2003 mededeling heeft gedaan. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat haar dochter op 19 juli 2003 de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt en dat op het rof met betrekking tot inwonende kinderen ouder dan 26 jaar geen inlichtingen worden gevraagd, zodat het niet invullen van gegevens over haar dochter vanaf die datum ten onrechte is gekwalificeerd als het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting.

4.1. De Raad overweegt ten aanzien van de omvang van het geding in eerste aanleg het navolgende.

4.1.1. Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank aan de gemachtigde van appellante om mee te delen of met het besluit van 15 juni 2007 geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, heeft die gemachtigde bij schrijven van 2 juli 2007 aangegeven dat appellante uitdrukkelijk betwist dat zij haar inlichtingverplichting ten aanzien van de inwoning van haar dochter heeft geschonden en dat zij om die reden de nieuwe beslissing op bezwaar onjuist acht. De rechtbank heeft vervolgens partijen kenbaar gemaakt dat, zoals bepaald in artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het besluit van 15 juni 2007 bij de beoordeling zal worden betrokken. In het ingediende verweerschrift heeft het College aangevoerd dat, gelet op het standpunt van appellante, enkel nog in geding is de herziening van bijstand over de perioden van 1 oktober 1999 tot en met 26 juli 2000 en van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2005 als gevolg van de verzwegen inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Eerst ter zitting bij de rechtbank op 29 november 2007 heeft de gemachtigde van appellante grieven aangevoerd tegen de intrekking van bijstand met ingang van 1 oktober 2005.

4.1.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank, gelet op het verhandelde ter zitting op 29 november 2007, ten onrechte zonder nadere motivering heeft overwogen dat uitsluitend nog in geding is de herziening van bijstand in verband met de inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De Raad is evenwel tevens van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde dat appellante eerst ter zitting van de rechtbank de omvang van het beroep heeft willen uitbreiden. In dat verband wijst de Raad op het standpunt van appellante, zoals verwoord in de brief van 2 juli 2007, dat appellante het nieuwe besluit op bezwaar onjuist acht in die zin dat zij uitdrukkelijk betwist dat zij haar inlichtingverplichting ten aanzien van de inwoning van haar dochter heeft geschonden. Daaruit volgt naar het oordeel van de Raad dat zij de intrekking van de bijstand per 1 oktober 2005 niet ter discussie stelt. Bovendien heeft appellante na kennisneming van het verweerschrift van het College, waarin het College zich uitgelaten heeft over de omvang van het geding, niet direct kenbaar gemaakt dat ook de intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2005 wordt betwist. De Raad is derhalve van oordeel dat de rechtbank de omvang van het geding terecht heeft beperkt tot de herziening van bijstand in verband met de inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering.

4.2. Ten aanzien van de herziening van de bijstand in verband met de inwoning van de dochter van appellante en de daaruit voortvloeiende terugvordering komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.2.1. Appellante heeft tijdens haar verhoor op 18 oktober 2005 verklaard dat haar dochter Michaela, drie of vier maanden nadat zij is getrouwd, in september of oktober 1999 weer bij haar is komen wonen en vanaf dat moment altijd bij haar heeft gewoond. Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegen een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. Daarbij tekent de Raad aan dat de verklaring van [kostganger] tijdens zijn verhoor over de inwoning van Michaela in grote lijnen overeenkomt met die van appellante. Derhalve staat voor de Raad vast dat Michaela in de gehele periode van 1 oktober 1999 tot en met 30 september 2005 bij appellante inwonend is geweest. De stelling dat appellante in oktober 1999 aan haar consulent bij de sociale dienst de inwoning heeft gemeld, heeft zij niet onderbouwd en daarvoor is in de gedingstukken geen aanwijzing te vinden. Appellante heeft derhalve in strijd met de op haar rustende inlichtingen- verplichting gehandeld door over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 26 juli 2000 geen opgave te doen van de inwoning van deze dochter. Dit geldt eveneens voor de periode van 22 januari 2003 tot en met 30 september 2005. Appellante heeft ten onrechte op het rof over de maand januari 2003 aan het College opgegeven dat haar dochter is uitgeschreven, waardoor haar bijstand met ingang van 22 januari 2003 is verhoogd naar de norm van een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 5%. Aan de omstandigheid dat appellante op het rof over de maand mei 2003 heeft opgegeven dat haar dochter vanaf 1 juli 2003 weer inwonend zal zijn, kan geen bijzondere betekenis worden gehecht omdat zij op het rof over de daarop volgende maanden geen opgave heeft gedaan van een inwonend kind. De Raad merkt nog op dat appellante tevens had kunnen onderkennen dat zij verzuimde een juiste opgave te doen omdat de bijstand onveranderd werd uitbetaald naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met de gemeentelijke toeslag van 5%. Het gegeven dat het rof alleen specifieke vragen bevat over inwonende kinderen tot en met 26 jaar betekent niet dat geen opgave gedaan behoeft te worden van inwoning van kinderen van 27 jaar en ouder.

4.2.2. Gelet op hetgeen onder 4.2.1 is overwogen was het College bevoegd om de bijstand over de perioden in geding met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien. Het College heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel tot herziening besloten. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van Awb geheel of gedeeltelijk van herziening had behoren af te zien.

4.2.3. Uit 4.2.2 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de over de perioden in geding ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het College heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel tot terugvordering besloten. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van Awb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

4.3. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.

(get.) C. van Viegen

(get.) C. de Blaeij

MM