Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-4437 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Juiste medische grondslag. Geen onderschatting medische beperkingen van appellant en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4437 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juni 2008, 07/2627 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Stolting, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 augustus 2009 heeft appellant nog enige gegevens ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellant is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.J.M. van Eijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat van de feiten en omstandigheden uit die de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad vermeldt hier dat het Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 3 mei 2007 (het bestreden besluit) het besluit van 27 november 2006 heeft gehandhaafd. Daarbij is vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 4 september 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2.1. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat de betrokken verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat aan de eigen beleving van appellant over zijn beperkingen en het al dan niet kunnen werken voor de toepassing van de Wet WIA geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden toegekend. Voor de arbeidskundige beoordeling dient, aldus de rechtbank, te worden uitgegaan van de medische beperkingen zoals deze door de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 januari 2007.

2.2. Met betrekking tot de voor de arbeidsongeschiktheidsschatting door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies heeft de rechtbank geoordeeld dat deze voor appellant geschikt zijn. Daarbij zijn de toelichtingen van de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige op de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in die functies in aanmerking genomen.

2.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit daarop ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv nog steeds uitgaat van onjuiste c.q. onvolledige medische gegevens, althans de beschikbare gegevens niet in voldoende mate laat meewegen in de oordeelsvorming. Om die reden had de rechtbank het beroep niet ongegrond mogen verklaren. Ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft appellant gegevens verstrekt, waaruit blijkt dat hij in aanmerking is gebracht voor een rollator, een deeltaxipas op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, omdat zijn loopafstand minder dan 200 meter bedraagt, en is een verklaring van 10 juli 2009 ingezonden van de longarts dr. A.J.M. van Boxem betreffende een behandeling van appellants slaapapneusyndroom.

3.2. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad zich op het standpunt gesteld dat deze gegevens geen aanleiding geven voor de veronderstelling dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust. Daarbij is erop gewezen dat de ingezonden gegevens de situatie van appellant in de jaren 2008 en 2009 betreffen en niet zien op de datum in geding, 4 september 2006.

4. De Raad volgt het Uwv hierin. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de medische beperkingen van appellant ten tijde in geding zijn onderschat en dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt zijn. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen onderschrijft de Raad derhalve. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.A. Wit.

TM