Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-2578 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat het College de aan [S.] opgelegde maatregel volledig heeft herroepen. Inmiddels is [S.] overleden, zodat de wegens dringende redenen herroepen maatregel geen consequenties meer kan hebben voor een langdurigheidstoeslag en eventuele recidive, waarbij de herroepen maatregel mogelijk een rol zou spelen, zich niet meer kan voordoen. Dat appellante het, mede in verband met de door haar voortgezette procedure van [S.] met reg.nr. 08/2795 WWB, van belang acht dat in de onderhavige procedure duidelijkheid wordt gegeven over de hiervoor genoemde dringende redenen, is onvoldoende voor een procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 260

Uitspraak

08/2578 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erfopvolgster van [S.], laatstelijk gewoond hebbende te ’s-Gravenhage (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 maart 2008, 07/3230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[S.]

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

[S.] (hierna: [S.]) heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

[S.] is op 17 juli 2009 overleden. Mr. Dielbandhoesing heeft de Raad laten weten dat [appellante] (hierna: appellante) als enig erfgenaam van [S.] de procedure voortzet.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 08/2795 WWB en 08/2563 WWB plaatsgevonden op 24 augustus 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dielbandhoesing. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het College de bijstand van [S.] per 1 januari 2007 met 30% gedurende 1 maand verlaagd op de grond dat zij ten gevolge van schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 19 maart 2007 heeft het College het tegen het besluit van 19 december 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Het College heeft daartoe overwogen dat, gelet op de leeftijd van [S.] en haar afhankelijkheid van anderen, sprake is van een dringende reden en dat op grond daarvan van het opleggen van een maatregel wordt afgezien

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 maart 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te honoreren procesbedrag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is er sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.2. De Raad stelt vast dat het College met het besluit van 19 maart 2007 de wegens schending van de inlichtingenverplichting aan [S.] opgelegde maatregel volledig heeft herroepen. Daarmee was het belang van [S.] bij een beoordeling van dat besluit in beginsel komen te vervallen. Inmiddels is [S.] overleden, zodat de wegens dringende redenen herroepen maatregel geen consequenties meer kan hebben voor een langdurigheidstoeslag en eventuele recidive, waarbij de herroepen maatregel mogelijk een rol zou spelen, zich niet meer kan voordoen. Dat appellante het, mede in verband met de door haar voortgezette procedure van [S.] met reg.nr. 08/2795 WWB, van belang acht dat in de onderhavige procedure duidelijkheid wordt gegeven over de hiervoor genoemde dringende redenen, is onvoldoende voor een procesbelang. Voorts is in beroep bij de rechtbank namens [S.] geen verzoek om schadevergoeding gedaan.

4.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank het beroep terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham

(get.) P.C. de Wit

MM