Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-489 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (25 tot 35%). Uit de informatie kan de Raad, evenmin als de rechtbank, afleiden dat het medicijn, genaamd Quetiapine, dat appellant gebruikt een zodanig nadelig effect heeft op de fijne motoriek dat hij daardoor de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in de voorgehouden functies niet met gevaarlijke machines behoeft te worden gewerkt. Tenslotte overweegt de Raad dat de dagbehandeling van appellant eerst na de datum in geding is aangevangen, zodat het Uwv daarmee geen rekening hoefde te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/489 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 december 2007, 97/563 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A.M. te Braake, advocaat te Goes, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 23 februari 2007, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 25 tot 35%.

2.1. Namens appellant is in beroep aangevoerd dat hij de aan hem voorgehouden functies om medische redenen niet kan verrichten. Onder meer is gesteld dat hij door zijn medicatie beperkingen heeft ten aanzien van hand- en vingergebruik en de fijne motoriek. Volgens appellant heeft de bezwaararbeidsdeskundige ten onrechte een naaimachine als een niet gevaarlijke machine geduid.

2.2. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden gezien om aan de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te twijfelen. De rechtbank achtte daarbij van belang dat de verzekeringsartsen de informatie van de behandelend psychiater J.G.M. van der Bruggen betrokken hebben bij de beoordeling van de gevolgen van het medicijngebruik van appellant en een beperking hebben opgenomen in verband met een mogelijk verminderd reactievermogen. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat een naaimachine een gevaarlijke machine is niet gevolgd, gezien de door het Uwv gegeven toelichting dat sprake is van een met de voet bediende naaimachine met automatische invoer. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden herhaald.

3.2. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep is namens appellant een brief van de behandelend psychiater Van der Bruggen overgelegd van 27 juni 2007. Dit is echter dezelfde informatie die ook al in beroep was ingezonden. Uit die informatie kan de Raad, evenmin als de rechtbank, afleiden dat het medicijn, genaamd Quetiapine, dat appellant gebruikt een zodanig nadelig effect heeft op de fijne motoriek dat hij daardoor de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. De psychiater heeft aangegeven dat het zwaartepunt van de bijwerkingen van psychofarmaca in het algemeen in de eerste dagen tot weken ligt. Appellant gebruikt zijn medicijnen al langere tijd. Wel is het zo dat de dosis van het voorgeschreven medicijn is verhoogd, maar dat is pas na de datum in geding het geval. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in de voorgehouden functies niet met gevaarlijke machines behoeft te worden gewerkt. Tenslotte overweegt de Raad dat de dagbehandeling van appellant eerst na de datum in geding is aangevangen, zodat het Uwv daarmee geen rekening hoefde te houden.

3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) F. Heringa.

TM