Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-5277 WVG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wvg-voorziening, bruikleenauto. Niet is gebleken dat een individuele rolstoeltaxikostenvergoeding voor appellante geen geschikte vervoersvoorziening is. Ter zitting is namens het College verklaard dat indien appellante alsnog een aanvraag indient voor een individuele rolstoeltaxikostenvergoeding, aan haar met terugwerkende kracht tot 14 augustus 2003 een bedrag van € 2.077,-- per jaar zal worden toegekend. Desgevraagd is namens appellante ter zitting gesteld geen bezwaren te hebben tegen deze vervoersvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5277 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2008, 07/1119, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: het College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam echtgenote appellante], echtgenoot van appellante, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2009. Namens appellante is verschenen [naam echtgenote appellante]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren op 5 juli 1933, heeft verschillende beperkingen die haar belemmeren in haar functioneren. In verband hiermee heeft appellante op 14 augustus 2003 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een voorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto(bus).

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft het Regionaal Indicatieorgaan Tot en Met (hierna: Tot en Met) op 27 november 2003 medisch advies aan het College uitgebracht.

1.3. Naar aanleiding van het advies van Tot en Met heeft het College aan Argonaut BV (hierna: Argonaut) gevraagd een second opinion uit te brengen. Op 27 februari 2004 heeft Argonaut een medisch advies uitgebracht.

1.4. Bij besluit van 17 maart 2004 heeft het College de aanvraag van appellante op grond van het in 1.3 genoemde advies afgewezen.

1.5. Bij besluit van 13 januari 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 maart 2004 ongegrond verklaard.

1.6. Bij uitspraak van 31 augustus 2006 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 13 januari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College zich op basis van het advies van Argonaut niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat vervoer per rolstoeltaxi voor appellante een adequate vervoersvoorziening is. Het advies van Argonaut is onvoldoende onderbouwd, nu hierin niet het advies van Tot en Met is betrokken. Het besluit van 17 maart 2004 berust dan ook niet op een draagkrachtige motivering.

1.7. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 31 augustus 2006 heeft Argonaut op 27 november 2006 op het verzoek van het College een aanvullend medisch advies uitgebracht. Na een reactie van appellante heeft Argonaut op 29 januari 2007 een aanvulling op dit medisch advies uitgebracht. Aangegeven is dat in de rapportage van Argonaut van 27 februari 2004 rekening is gehouden met de verschillende visies van de behandelaars van appellante, alsmede dat er aandacht is besteed aan de door de rechtbank genoemde wachttijden voor het rolstoelvervoer en aan de consequenties van een regelmatig leef- en eetritme op het reizen.

1.8. Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het College op grond van de in 1.7 genoemde adviezen het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat aan de rapporten van Argonaut van 27 november 2006 en 29 januari 2007 geen gebreken kleven, zodat de conclusies in deze rapporten door het College overgenomen kunnen worden. Individueel rolstoeltaxivervoer is de goedkoopste adequate voorziening voor appellante.

1.9. Naar aanleiding van een door appellante ingediende klacht bij de gemeentelijke Ombudsman heeft Argonaut op 19 april 2007 opnieuw advies uitgebracht aan het College. In dit advies is aangegeven dat, de op dat moment bestaande medische situatie van appellante in aanmerking genomen, de goedkoopste adequate oplossing voor haar is individueel aanvullend vervoer in de vorm van het Stadsmobiel zonder medereizigers of een individuele rolstoeltaxivergoeding.

1.10. Naar aanleiding van dit nadere advies van 19 april 2007 heeft het College op 27 april 2007 een aanvullende beslissing op bezwaar genomen. Daarin is aangegeven dat individueel aanvullend vervoer door Stadsmobiel vanwege de maximale wachttijd voor appellante niet adequaat is. Een individuele rolstoeltaxivergoeding is voor haar de goedkoopste adequate voorziening. Het College heeft verder aangegeven dat indien appellante een aanvraag indient voor een individuele rolstoeltaxivergoeding, deze vergoeding in dit bijzondere geval zal ingaan per 14 augustus 2003.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de aanvullende beslissing van 27 april 2007 beschouwd als nadere motivering van het besluit van 2 februari 2007 en het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante voor de voorziening in haar vervoersbehoefte in aanmerking kan komen voor een individuele rolstoeltaxivergoeding. De gronden die appellante heeft aangevoerd tegen de afwijzing van een bruikleenauto zijn alle in de uitgebrachte adviezen besproken. Niet gebleken is dat deze adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of dat het College niet heeft mogen afgaan op de conclusies van deze adviezen. Evenmin kan worden gesteld dat het College de besluiten onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd, nu het College rekening heeft gehouden met de bijzondere eisen van de wachttijden en het strakke schema van voedselinname en medicijninname van appellante.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat de wachttijden regelmatig langer zijn dan is aangegeven. Hierbij gaat het om een afwijking van een half uur tot anderhalf uur. Tevens heeft appellante een brief van haar klinisch geriater, drs. J.L. Parleviet, van 22 maart 2007 overgelegd, waarin deze specialist aangeeft dat het voor appellante noodzakelijk is dat zij gezien haar beperkingen voorzichtig vervoerd wordt en dat zij een postoel en een tillift kan meenemen tijdens het vervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2. Ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente Amsterdam de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: Vvg) vastgesteld.

4.3. Ingevolge artikel 1.2, aanhef en onder c, van de Vvg kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover:

“(…)

c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt (…).”

4.4. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en tweede lid onder a, en vierde lid onder c, van de Vvg kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken, bestaande uit: “(…)

2.a. een auto (…)

4.c. een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi (…).”

4.5. Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de Vvg verlenen burgemeester en wethouders slechts een vervoersvoorziening wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek daartoe nopen.

4.6. De Raad stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat een individuele rolstoeltaxi- kostenvergoeding voor haar geen geschikte vervoersvoorziening is. Appellante heeft niet nader, met medische gegevens, onderbouwd waarom zij in haar situatie geen gebruik zou kunnen maken van een individuele rolstoeltaxi noch dat deze voorziening voor haar geen adequate voorziening zou zijn.

4.7. De Raad stelt voorts vast dat ter zitting namens het College is verklaard dat indien appellante alsnog een aanvraag indient voor een individuele rolstoeltaxikosten- vergoeding, aan haar met terugwerkende kracht tot 14 augustus 2003 een bedrag van € 2.077,-- per jaar zal worden toegekend. Desgevraagd is namens appellante ter zitting gesteld geen bezwaren te hebben tegen deze vervoersvoorziening.

5. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male

(get.) C. de Blaeij

MM