Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
08-1838 AOW + 08-1839 AOW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder de gegeven omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat de Svb bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan appellanten niet met meer dan één jaar terugwerkende kracht een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Het door de Svb toegepaste hardheidsbeleid is in algemene zin niet onaanvaardbaar te achten en niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Svb in de onderhavige gevallen van het hardheidsbeleid had moeten afwijken. Niet is gebleken dat de Svb appellanten heeft afgehouden van het indienen van een aanvraag door - ook de Raad twijfelt daar niet aan - appellant ten onrechte te verwijzen naar de Duitse instanties. Appellanten hadden, alvorens de indiening van hun aanvragen op de lange baan te schuiven, bij de Svb kunnen navragen wat hiervan de gevolgen zouden zijn voor hun aanspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1838 AOW

08/1839 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], Duitsland (appellante), en

[appellant], Duitsland (appellant),

hierna tezamen ook te noemen: appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2008, 05/2305 en 05/3241 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2009.

Namens appellanten is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.H. Govaers. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Svb heeft appellante (geboren op 19 juni 1932) en appellant (geboren op 23 februari 1934) op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een pensioen toegekend vanaf september 2001. Bij besluiten van achtereenvolgens 21 april 2005 en 13 juni 2005 (hierna: besluiten op bezwaar) heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de weigering van de Svb om met meer dan één jaar terugwerkende kracht pensioen toe te kennen ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep hebben appellanten zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de Svb niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan appellanten met meer dan één jaar terugwerkende kracht een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat - kort weergegeven - appellant zich bij herhaling, voor het eerst rond de 65ste verjaardag van appellante, telefonisch tot de Svb heeft gewend en dat hij telkens verwezen is naar de instanties in zijn woonland Duitsland, terwijl appellanten daar nimmer verzekerd zijn geweest en appellant de Svb daar ook op heeft gewezen. Verder is door appellanten aangevoerd dat zij er zijdens de Svb niet op gewezen zijn dat pensioenen in beginsel niet met meer dan één jaar terugwerkende kracht worden toegekend. Tot slot is herhaald dat het door de Svb toegepaste hardheidsbeleid op zich kennelijk onredelijk is.

3.2. De Svb heeft in hoger beroep essentie de aan de besluiten op bezwaar ten grondslag gelegde motivering herhaald. Onomstreden is daarbij dat appellanten namens de Svb voor het indienen van een aanvraag zijn verwezen naar de instanties in Duitsland en dat dit ten onrechte is gebeurd. Toch ziet de Svb in dit bijzondere geachte geval geen grond om aan appellanten met meer dan één jaar terugwerkende kracht pensioen toe te kennen.

Daartoe is van doorslaggevende betekenis geacht dat appellanten ten tijde van belang een inkomen genoten dat ruim boven het sociaal minimum lag en dat er geen direct causaal verband valt aan te wijzen tussen de onterechte verwijzing naar de instanties in Duitsland en het feit dat appellanten uiteindelijk pas meer dan een jaar nadat zij 65 zijn geworden een pensioen op grond van de AOW hebben aangevraagd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Evenals in beroep is in hoger beroep het geschil toegespitst op de vraag of de Svb bij afweging van de betrokken belangen gebruik had behoren te maken van de hem op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW toekomende bevoegdheid tot toekenning met meer dan één jaar terugwerkende kracht.

4.3. Naar het oordeel van de Raad kan onder de gegeven omstandigheden niet worden staande gehouden dat de Svb bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan appellanten niet met meer dan één jaar terugwerkende kracht een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Daartoe overweegt de Raad allereerst dat het door de Svb toegepaste hardheidsbeleid in algemene zin niet onaanvaardbaar is te achten en dat er niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de Svb in de onderhavige gevallen van het hardheidsbeleid had moeten afwijken. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt de Raad enkel nog dat niet gebleken is dat de Svb appellanten heeft afgehouden van het indienen van een aanvraag door - ook de Raad twijfelt daar niet aan - appellant ten onrechte te verwijzen naar de Duitse instanties. Appellanten hadden, alvorens de indiening van hun aanvragen op de lange baan te schuiven, bij de Svb kunnen navragen wat hiervan de gevolgen zouden zijn voor hun aanspraken. Tot slot merkt de Raad nog op dat de door appellanten opgeworpen vraag of zij recht hebben op premierestitutie buiten de omvang valt van de onderhavige gedingen.

5. Gelet op het vorenstaande slagen de hoger beroepen van appellanten niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) W. Altenaar.

MM