Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
07-6727 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvragen bijzondere bijstand: De Raad stelt vast dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft gesteld. Met toekenning bijzondere bijstand voor aanschaf fiets: niet geheel tegemoet gekomen. De Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 14 augustus 2007 niet in de beoordeling betrokken, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6727 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 oktober 2007, 07/629 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 1 september 2009, waar partijen, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt vanaf 14 maart 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 20 februari 2007 heeft het College de besluiten gehandhaafd waarbij afwijzend is beslist op de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een identiteitsbewijs en pasfoto’s, zwemlessen voor zijn kinderen, vakantie en compensatie inzake de no-claimregeling ingevolge de Zorgverzekeringswet.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 5 maart 2007 heeft het College de besluiten gehandhaafd waarbij afwijzend is beslist op de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de vervanging dan wel reparatie van meubels, de aankoop van een pannenset, reparatie van audioapparatuur en de aankoop van een fiets.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de besluiten van 20 februari 2007 en 5 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van zwemlessen voor zijn kinderen en de aanschaf een pannenset overweegt de Raad het volgende.

4.1. Bij besluit van 22 augustus 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 oktober 2005, heeft het College afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor zwemlessen voor zijn beide kinderen. In de uitspraak van heden, 07/6730 WWB, heeft de Raad dit besluit op bezwaar in stand gelaten. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat het College al eerder afwijzend heeft beslist op een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de aanschaf van een pannenset en het bezwaar daartegen bij besluit van 19 april 2007 ongegrond heeft verklaard.

4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen zodanige feiten of omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.3. Het College heeft op de beide aanvragen om bijzondere bijstand afwijzend is beslist onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluiten. De Raad stelt vast dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft gesteld, zodat het College bevoegd was tot toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat het College in redelijkheid niet van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van een identiteitsbewijs en pasfoto’s overweegt de Raad het volgende.

5.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 35, tweede lid, niet van toepassing zijn.

5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 juni 2008, LJN BD3405), dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of de kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het College ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige kosten zich voordoen en noodzakelijk zijn. De vraag of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden beantwoordt de Raad met het College en de rechtbank ontkennend.

Dergelijke kosten behoren tot de incidentele algemeen noodzakelijke kosten waarin in beginsel eenieder, aangewezen op een bijstandsuitkering of niet, moet voorzien, en die dus niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Nu de kosten, waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd, niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, is het College niet bevoegd om met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen. De vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag en het vermogen van appellant komt dan niet meer aan de orde.

6. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand ter compensatie van de no-claimteruggave ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en de op die wet gebaseerde regelgeving, zoals die luidden ten tijde hier van belang, tot een bedrag van € 255,-- overweegt de Raad dat een compensatie voor het niet ontvangen van een no-claimteruggave niet kan worden aangemerkt als kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

7. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van reparatie dan wel vervanging van meubels overweegt de Raad het volgende.

7.1. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB wordt in deze wet en de daarop berusten bepalingen onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

7.2. De Raad merkt op dat volgens vaste rechtspraak kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB.

7.3. Uit de verkregen informatie van de Stadsbank Midden Nederland heeft het College opgemaakt dat appellant, gelet op zijn omstandigheden, in beginsel in aanmerking kan komen voor een lening tot een bedrag van € 2.000,-. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden het standpunt van het College voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant zich tot genoemde bank heeft gewend om zich te vergewissen of hij in aanmerking kan komen voor een lening.

7.4. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Met de rechtbank ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te oordelen dat in zijn geval sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

8. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van reparatie van audioapparatuur overweegt de Raad dat deze kosten tot de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, maar dat deze niet voortvloeien uit bijzondere (individuele) omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

9. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van vakantie overweegt de Raad dat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Daarbij merkt de Raad op dat ingevolge artikel 19, derde lid, van de WWB in de algemene bijstand een vakantietoeslag is begrepen ter hoogte van 4,7% van de bijstand, die ingevolge artikel 45, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel in de maand juni wordt uitbetaald.

10. Met betrekking tot het recht op bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fiets overweegt de Raad het volgende.

10.1. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het College op de aanvraag van appellant op 8 augustus 2007 bijzondere bijstand toegekend voor de aanschaf van een fiets tot een bedrag van € 345,--. De Raad merkt dit besluit, waarbij niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, aan als een besluit dat met (overeenkomstige) toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken. De Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 14 augustus 2007 niet in de beoordeling betrokken, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Voorts stelt de Raad vast dat door het besluit van 14 augustus 2007 het belang van appellant bij het beroep tegen het besluit van 5 maart 2007, in zoverre het betreft de handhaving van het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fiets, is vervallen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 5 maart 2007, voor zover daarbij de weigering van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fiets is gehandhaafd, niet-ontvankelijk verklaren.

10.2. Ten aanzien van het besluit van 14 augustus 2007 overweegt de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het toegekende bedrag van € 345,-- aan bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fiets niet toereikend is. De omstandigheid dat in 2007 de fiets van appellant, die hij enkele jaren tevoren voor € 850,-- heeft gekocht, is gestolen, kan niet tot het oordeel leiden dat het toegekende bedrag ontoereikend is voor de aanschaf van een adequaat vervangend exemplaar. Het beroep, voor zover dat mede geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 14 augustus 2007, zal derhalve ongegrond worden verklaard.

11. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 9 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.

12. De Raad is niet gebleken van proceskosten van appellant die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 maart 2007, in zoverre het betreft de handhaving van het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fiets, ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2007 in zoverre niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2007 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145 ,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) C. van Viegen

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

MM