Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
09-445 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzending op de voorgeschreven wijze; opgave wijziging adres; einde relatie met IBG; adresonderzoek; omzetting uit- in thuiswonendenbeurs.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009, 339
ABkort 2009/477

Uitspraak

09/445 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 december 2008, 07/2937 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Voor de IB-Groep is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij brief van 22 augustus 2007 heeft de IB-Groep appellant aangemaand tot betaling voor 6 september 2007 van € 1.571,34 in verband met hetgeen hij had moeten betalen gedurende de periode van januari 2004 tot en met november 2006 ter aflossing van een aan hem verstrekt(e) rentedragende lening en/of renteloos voorschot.

2. Bij besluit van 20 september 2007 heeft de IB-Groep het door appellant tegen de brief van 22 augustus 2007 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat het bezwaarschrift is gericht tegen een aanmaning die niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

3.2. Appellants bezwaar moet worden geacht te zijn gericht tegen het naar het door appellant aan de IB-Groep opgegeven postadres [adres] gezonden besluit van 15 februari 2002 (lees: een tweetal besluiten van 15 februari 2002, nummers 2000,4 en 2001,3) waarbij de aan appellant toegekende studiebeurs voor uitwonende studerenden is omgezet in een beurs voor thuiswonende studerenden over de periode van september 2000 tot en met juni 2001 (wegens het uitblijven van een reactie van appellant op brieven van de IB-Groep van 22 september 2001 en 11 december 2001 ter controle op het uitwonend studerende zijn).

Het naar dat adres gezonden besluit is op de juiste wijze bekend gemaakt, omdat appellant bij de verhuizing van zijn moeder van dat (post-)adres in januari 2001, toen hij zijn studie nog niet had afgerond (dat was eerst op 29 juni 2001 het geval) en zijn relatie met de IB-Groep dus nog niet was beëindigd, aan de IB-Groep een wijziging van zijn postadres had behoren door te geven. Dat betekent dat de termijn van zes weken voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2002 is aangevangen op 16 februari 2002, het in augustus/september 2007 ingediende bezwaarschrift te laat is ingediend en appellant niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Het beroep is dan ook gegrond en het besluit op bezwaar moet worden vernietigd, omdat het op onjuiste gronden berust. Er is aanleiding is om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.

4. In hoger beroep - uitsluitend gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 20 september 2007 - heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de uitwonendencontrolebrieven dateren van na het moment van afstuderen (29 juni 2001), hij ervan uit mocht gaan dat zijn relatie met de IB-Groep toen was beëindigd en hij van september 2000 tot en met juni 2001 aantoonbaar elders woonachtig was (namelijk te Londen, Verenigd Koninkrijk, in verband met een stage in het kader van zijn studie).

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de termijn (voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep) aanvangt met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

5.3. Gegeven dat onbetwist is dat het bij de hiervoor vermelde omzettingsbesluiten van 15 februari 2002 gaat om besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb, staat allereerst ter beantwoording de vraag of die beide, volgens de IB-Groep afzonderlijk van elkaar verzonden, besluiten op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.

5.4. Gelet op de vaste rechtspraak van het (per 1 januari 2001 opgeheven) College van beroep studiefinanciering (Cvbs; zie met name zijn uitspraken van 31 december 1999 en 25 januari 2000, gepubliceerd in USF 1999, nr. 40, en USF 2000-2001, nr. 4) had de IB-Groep er ten tijde van de verzending van de besluiten van 15 februari 2002 niet zonder meer van uit mogen gaan dat de bij haar geregistreerd staande adresgegevens van appellant nog juist waren, indien - kort weergegeven - er op dat moment geen aanvraag of bezwaarschrift van appellant bij de IB-Groep in behandeling was, appellant geen recht meer had op de uitbetaling van studiefinanciering of een tegemoetkoming in de studiekosten en appellant bovendien geen (kort- of langlopende) schuld aan de IB-Groep had.

De Raad ziet geen aanleiding hierover (in dit geval) anders te oordelen.

Op grond van de in acht te nemen zorgvuldigheid had het op de weg van de IB-Groep gelegen om (direct) voorafgaande aan de bekendmaking van de besluiten van 15 februari 2002 een (nader) adresonderzoek te verrichten. Zo’n onderzoek is niet verricht, ook niet alvorens werd overgegaan tot het verzenden van de uitwonendencontrolebrieven van 22 september 2001 en 11 december 2001.

5.5. Gelet op de inmiddels bekend geworden adresgegevens zou zo’n onderzoek toen hebben uitgewezen dat de moeder niet meer op dat adres woonachtig was en appellant op dat adres niet meer bereikbaar was. Dat adres was toen dus feitelijk onjuist. Daaruit volgt dat de besluiten van 15 februari 2002 niet op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt.

5.6. Niet voor betwisting is vatbaar dat door appellant en/of zijn moeder eind 2000 dan wel begin 2001, in ieder geval vóór 1 juli 2001, ten onrechte is verzuimd een postadreswijziging aan de IB-Groep door te geven. Echter, aan dat verzuim komt geen betekenis toe bij het beantwoorden van de vraag of - nadat medio 2001 aan de relatie tussen de IB-Groep en appellant een einde was gekomen - de besluiten van 15 februari 2002 op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt

5.7. Het vorenstaande in aanmerking genomen, slaagt het door appellant ingestelde hoger beroep en kan de aangevallen uitspraak niet in stand worden gelaten voorzover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het besluit op bezwaar van 20 september 2007 daarin zijn op zichzelf wel terecht, maar hadden op andere gronden dienen te geschieden. De beslissingen daarin over proceskosten en griffierecht zijn terecht en op goede gronden gegeven.

6.1. Voorts overweegt de Raad nog het volgende.

6.2. Aangezien de besluiten van 15 februari 2002 nog steeds niet op de voorgeschreven wijze aan appellant zijn bekend gemaakt (zodat nog geen bezwaartermijn is gaan lopen), maar appellant van het bestaan en de inhoud daarvan inmiddels (tijdens de beroepsprocedure) wel op de hoogte is geraakt en geacht moet worden daartegen tijdig bezwaar te hebben gemaakt, zal de IB-Groep een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. De Raad acht termen aanwezig om de IB-Groep met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Aangezien in hoger beroep een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd, dient dat bedrag te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 20 september 2007 in stand blijven;

Bepaalt dat de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Bepaalt voorts dat de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht € 107,-- vergoedt;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL