Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
08-154 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering (55 tot 65%). Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam toegelicht dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/154 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 december 2007, 07/3279 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. ter Seldam, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en haar standpunt nog nader toegelicht in een brief van 22 april 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant was niet aanwezig. Namens appellant heeft bovengenoemde gemachtigde het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.P.Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, werkzaam als medewerker bakkerij, is in 1992 een omgeval overkomen. Nadien is hij weer (deels) aan het werk gegaan, maar op 8 september 1999 wederom uitgevallen met onder andere nek- en rugklachten, hoofdpijnklachten en psychische klachten. Per 6 september 2000, het einde van de wettelijke wachttijd is aan appellant door het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Namens appellant is daartegen bezwaar gemaakt welk bezwaar ongegrond is verklaard. In het kader van het namens appellant ingestelde beroep is hij onderzocht door de psychiater H.N. Dijkstra, die in zijn rapporten, kort gezegd, heeft geconcludeerd dat appellant (aanzienlijk) meer beperkt was op het psychisch vlak dan door het Uwv was aangenomen; tevens achtte de deskundige appellant niet meer belastbaar dan voor 4 uur per dag (20 uur per week). Het Uwv heeft onder andere in deze rapporten aanleiding gezien het eerder ingenomen standpunt te herzien: in een opnieuw opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML), waarin voor een groot deel de door Dijkstra genoemde beperkingen zijn overgenomen, zijn een groot aantal beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren verwerkt alsmede een urenbeperking van 20 uur per week. Bij besluit van 10 mei 2004 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vervolgens vastgesteld op 55 tot 65% . Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard; de Raad heeft de desbetreffende uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 24 januari 2007, 05/1263 WAO, bevestigd.

Inmiddels heeft in 2005 een herbeoordeling plaatsgevonden. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft, blijkens diens rapport van 4 januari 2005 geconstateerd dat de klachten van appellant globaal gesproken dezelfde zijn gebleven als voorheen, dat er sprake is van ernstige beperkingen, maar dat deze anderzijds niet zo ernstig zijn dat er geen sprake zou zijn van benutbare arbeidsmogelijkheden. In de FML van 14 januari 2005 zijn wederom een groot aantal beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen alsmede een urenbeperking van 20 uur per week. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft een aantal voor appellant geschikt te achten functies geselecteerd waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt op 55 tot 65%. Bij besluit van 10 mei 2006 is appellant bericht dat diens WAO- uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

1.2. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft aanleiding gezien appellant in het kader van dit bezwaar te doen onderzoeken door N. van Loenen, psychiater en E.H. Ameling, psycholoog. Deze hebben in hun rapport van 16 februari 2007 gesteld dat sprake is van onder andere een angststoornis en een persoonlijkheidsstoornis alsmede dat appellant door zijn klachten en symptomen dermate geïnvalideerd is dat er geen benutbare mogelijkheden voor hem lijken te bestaan. De bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge heeft in haar rapport van 25 april 2007 aangegeven, dat er voldoende redenen zijn om de conclusie van Loenen en Ameling niet te volgen, met name omdat appellant gezien de beschikbare gegevens niet voldoet aan de criteria voor het aannemen van de situatie dat er geen benutbare arbeidsmogelijkheden zijn. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 26 april 2007 ( hierna het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten de betaling van griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat er niet is gebleken van zodanige objectiveerbare medische afwijkingen dat er aanleiding bestaat tot het aannemen van meer of andere beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Met name is in het eerder genoemde rapport van P. van Zalinge voldoende gemotiveerd dat er reden is om van de conclusies van Loenen en Ameling af te wijken: zo is er onder ander met recht op gewezen dat het rapport van de psychiater Dijkstra voornoemd – die wel (beperkte) mogelijkheden tot het verrichten van arbeid aanwezig achtte – een betere onderbouwing bevat dan te vinden in de rapportage van Loenen/Ameling, onder andere in verband met de door Dijkstra uitgevoerde testen. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank eveneens onderschreven. Echter, nu een deugdelijke arbeidskundige toelichting eerst in de fase van beroep is verkregen bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

3. In hoger beroep is namens appellant met name de stelling herhaald dat hij gelet op het rapport van Loenen/Ameling volledig arbeidsongeschikt is te achten. Uit dit rapport zou onder meer blijken dat hij ook thuis niet of nauwelijks meer functioneert. Er zijn derhalve ten onrechte functies voor appellant geduid.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad stelt voorop, dat het hoger beroep zich richt op het in stand laten van de rechtsgevolgen door de rechtbank en, daarmee samenhangend, het onderschrijven van de medische grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist geheel onderschrijven. Dat wil zeggen dat het Uwv voldoende reden had om van de conclusies van het rapport van Loenen en Ameling af te wijken. Zulks ten eerste omdat deze onderzoekers hun conclusie niet hebben geconcretiseerd door het aangeven van specifieke beperkingen op het psychisch vlak. Dit klemt te meer omdat de FML waar het Uwv vanuit gaat, als aangegeven, een groot aantal beperkingen bevat op het terrein van het persoonlijk en sociaal functioneren. Bovendien is hun conclusie (dat er geen benutbare arbeidsmogelijkheden aanwezig zijn) niet terug te voeren tot bepaalde psychiatrische bevindingen, althans niet tot veel andere bevindingen dan hetgeen appellant zelf naar voren heeft gebracht. Zo leidt, bijvoorbeeld, het gegeven dat appellant het liefst alleen thuis is en weinig sociale contacten heeft, er nog niet noodzakelijkerwijs toe, dat er sprake is van een situatie dat appellant bij het uitvoeren van zijn dagelijkse activiteiten en in zijn sociaal functioneren dermate afhankelijk is, dat hij niet meer als zelfredzaam is aan te merken. Ook overigens acht de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Dit brengt mee dat de Raad geen aanleiding ziet om appellant alsnog door een deskundige te laten onderzoeken.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen acht de Raad genoegzaam toegelicht dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Zoals de rechtbank met recht heeft opgemerkt is deze, onder meer, in het arbeidskundig rapport van 26 juni 2007 opgenomen toelichting eerst na het totstandkomen van het bestreden besluit verstrekt. Er bestond derhalve aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en, volgens inmiddels vaste jurisprudentie, de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) J.M. Tason Avila.

EK