Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
08/966 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. De Raad stelt verder vast dat de kosten van de vervanging van de geiser en de koelkast door appellante zijn betaald. De zoon van appellante heeft deze kosten voorgeschoten. Van een verplichting tot terugbetaling aan de zoon is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/966 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2007, 06/7663, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft F. Ansari, de zoon van appellante, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft bij brief van 26 mei 2009 inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld op de zitting van 21 juli 2009. Voor appellante is F. Ansari verschenen. Het College is - met kennisgeving - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren op 20 februari 1920, ontvangt in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellante heeft op 28 december 2005 bijzondere bijstand aangevraagd voor de vervanging van een geiser en een koelkast. Daarbij heeft zij met betrekking tot de geiser een nota van € 120,75 overgelegd d.d. 15 juni 2005 en met betrekking tot de koelkast een nota van € 384,-- d.d. 28 oktober 2005. De kosten zijn haar voorgeschoten door haar zoon.

1.3. Het College heeft bij brief van 30 januari 2006 kennis gegeven van zijn besluit om de aanvraag af te wijzen.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 30 januari 2006 bezwaar gemaakt.

2. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2006 bij besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat een belanghebbende met een inkomen op bijstandsniveau, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt geacht te (kunnen) reserveren voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Daarom wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt voor de aanschaf of vervanging van die goederen. Niettemin wordt het beleid gevoerd dat voor goederen die voorkomen op een lijst van “absoluut noodzakelijke, niet uitstelbare goederen”, zoals een koelkast, leenbijstand kan worden verstrekt, ook wanneer men daarvoor in theorie zou hebben kunnen reserveren. Voorwaarde daarvoor is dat absoluut vaststaat dat de belanghebbende niet (meer) beschikt over een voldoende functionerend apparaat en dat hij of zij zonder de leenbijstand zelf geen oplossing kan vinden, bijvoorbeeld door het aangaan van een geldlening bij de gemeentelijke kredietbank of bij familie of kennissen. Appellante voldoet echter niet aan die voorwaarde, omdat de kosten van de vervanging van de geiser en de koelkast zijn voorgeschoten door de zoon. Voorts is de aanvraag afgewezen omdat de geiser en de koelkast reeds zijn vervangen. Daardoor kan niet meer worden vastgesteld of zij ten tijde van de vervanging al dan niet onvoldoende functioneerden.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard. Zij is tot het oordeel gekomen dat het College de aanvraag in overeenstemming met zijn beleid heeft afgewezen en dat dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat zij niet heeft aangetoond in welke vergelijkbare gevallen het College tot een ander oordeel is gekomen.

4.1. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de oude koelkast zestien jaar oud was en dat hij niet meer werkte. Vervanging van de koelkast was urgent in verband met het risico van bederf. Ook de geiser moest urgent vervangen worden omdat deze gevaarlijk was. Daarom kon appellante in beide gevallen niet wachten op een controleur van de gemeente. Appellante stelt dat er een regeling is voor de aanschaf en vervanging van koelkasten die haar recht geeft op bijzondere bijstand voor de vervanging van haar koelkast. Aan anderen is wel bijstand verleend voor een nieuwe koelkast. Zij kan zelf geen oplossing vinden omdat zij voor de vervanging niet heeft kunnen reserveren. Dit komt omdat de gemeente op haar uitkering - naar zij stelt ten onrechte - beslag heeft gelegd.

4.2. Het College persisteert bij zijn in de beslissing op bezwaar neergelegde standpunt. Het College heeft meegedeeld dat de gemeente Delft geen beleid inzake de verstrekking van categoriale bijstand aan ouderen kent.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB, zoals dat artikel ten tijde in geding luidde, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

5.2. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen, voor zover dat meer is dan de bijstandsnorm.

5.3. De Raad stelt vast dat de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Bepalend daarvoor is het tijdstip waarop de kosten zijn opgekomen en niet het tijdstip waarop de nota aan het College wordt overgelegd. Dit betekent dat de kosten in dit geval zijn opgekomen op 15 juni, onderscheidenlijk 28 oktober 2005. Aangezien de kosten derhalve door appellante voor de datum van de aanvraag zijn gemaakt en voldaan, zonder dat van een schuld met een reële terugbetalingsverplichting ter zake is gebleken, had zij gelet op artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, reeds hierom geen recht op bijstand. De Raad stelt verder vast dat de kosten van de vervanging van de geiser en de koelkast door appellante zijn betaald. De zoon van appellante heeft deze kosten voorgeschoten. Van een verplichting tot terugbetaling aan de zoon is niet gebleken.

5.4. Het beroep van appellante op een gemeentelijke regeling voor de vervanging van koelkasten faalt. Het College heeft ontkend dat zo’n regeling bestaat. Appellante heeft haar beroep op die regeling niet nader onderbouwd.

5.5. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. Appellante heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd waarin wel bijzondere bijstand is verleend voor de vervanging van een geiser en een koelkast. De enkele verwijzing ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellante naar een Surinaamse familie in de [naam straat] acht de Raad daarvoor onvoldoende.

6. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) K. Moaddine.

DW