Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
09-768 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet binnen de gestelde termijn de machtiging overlegd. Het bezwaar is terecht niet ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3, geldigheid: 2009-10-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/364 met annotatie van Red

Uitspraak

09/768 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2008, 08/00351 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P. Janssen MiF, werkzaam bij Prodak Bedrijfsondersteuning te Bemmel, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Namens appellante is Janssen MiF verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 september 2007 heeft het College de aan appellante in 2006 verstrekte bijstand in de vorm van een renteloze lening tot een bedrag van € 3.998,20 op grond van artikel 2 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 van haar teruggevorderd.

1.2. De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 8 november 2007 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 september 2007.

1.3. Bij aangetekende brief van 9 november 2007 is namens de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer VI, van de gemeente Rotterdam aan de gemachtigde van appellante verzocht haar vóór 23 november 2007 een machtiging te sturen, waaruit blijkt dat hij bevoegd is namens appellante als belanghebbende een bezwaarschrift in te dienen. Tevens is daarbij meegedeeld dat indien het gevraagde niet voor de gestelde datum is ontvangen, het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk wordt verklaard.

1.4. Het College heeft bij besluit van 12 december 2007, overeenkomstig het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, kamer IV, het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2007 met toepassing van artikel 7:3 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gemachtigde van appellante niet heeft aangetoond dat hij bevoegd was namens appellante een bezwaarschrift in te dienen en hij dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het College op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb van de indiener van het bezwaarschrift mag verlangen dat hij een schriftelijke machtiging overlegt waaruit blijkt dat hij gerechtigd is bezwaar te maken.

4.2.1. Appellante heeft aangevoerd dat zij op 19 november 2007, en derhalve tijdig, een door haar ondertekende machtiging heeft gefaxt naar het juiste faxnummer 0102676300. Ter adstructie heeft zij een afschrift van de door haar ondertekende machtiging van 19 november 2007 overgelegd en het logboek van 19 november 2007, 14:32 uur met bij het resultaat de vermelding "OK". Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat ook na herhaald onderzoek niet gebleken is dat de fax van 19 november 2007 is ontvangen en heeft daartoe het dagjournaal van de op 19 november 2007 op het faxnummer 0102676300 ontvangen stukken en berichten ingezonden, waaruit deze ontvangst niet blijkt. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad erkend dat uit de gegevens van het overgelegde dagjournaal de ontvangst van de fax niet blijkt.

4.2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 4 juli 2008, LJN BD6996) dienen de aan een verzending van een faxbericht verbonden risico's voor rekening van de verzender te komen. Dit brengt mee dat als door de geadresseerde wordt gesteld dat het verzonden stuk niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst van het faxbericht op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

4.2.3. Daargelaten of appellante aan de hand van het ingezonden logboek in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat zij de machtiging op 19 november 2007 per fax heeft verzonden, is de Raad van oordeel dat het College op basis van het ingezonden dagjournaal de ontvangst van de machtiging op een niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend.

4.3. Nu het College een machtiging verlangde en mocht verlangen was niet voldaan aan een bij artikel 2:1, tweede lid, van de Awb gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar en was sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Aangezien, zoals onder 4.2.3 is overwogen, de gemachtigde van appellante dit verzuim niet binnen de bij brief van 9 november 2007 gestelde termijn heeft hersteld, was het College op grond van artikel 6:6 van de Awb bevoegd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Niet gezegd kan worden dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4.1. Naar aanleiding van de grief van appellante dat het College haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten, overweegt de Raad het volgende.

4.4.2. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.4.3. Het College heeft zich, zoals hiervoor overwogen, ten tijde van belang terecht op het standpunt gesteld dat het verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb niet binnen de gestelde termijn was hersteld. De Raad volgt het College ook in zijn standpunt dat van het horen van appellante tijdens een hoorzitting kon worden afgezien. Mede gelet op het door appellante ingezonden antwoordstrookje staat vast dat zij de aangetekende brief van 9 november 2007 heeft ontvangen. Voorts staat vast dat het College van appellante binnen de gestelde termijn geen enkele reactie op de brief van 9 november 2007 heeft ontvangen. Onder die omstandigheden en gelet op het wettelijk kader heeft het College zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat redelijkerwijs geen twijfel bestond aan de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Derhalve is voldaan aan de relevante voorwaarde voor toepassing van artikel 7:3 van de Awb. De omstandigheid dat appellante door middel van een ingezonden antwoordstrookje kenbaar heeft gemaakt dat zij een uitnodiging voor een mondelinge toelichting op het bezwaarschrift op prijs stelde, kan niet leiden tot een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat in de brief van 9 november 2007 is vermeld dat appellante niet in de gelegenheid zal worden gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten als de gevraagde machtiging niet tijdig is ontvangen.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B.E. Giesen.

MM