Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
09-769 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3, geldigheid: 2009-10-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/769 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2008, 08/4554 en 08/4555 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het College een aanvraag van appellant om bijstand afgewezen. Op 8 oktober 2008 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een op 10 september 2008 gedateerd bezwaarschrift tegen dit besluit ontvangen. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de DWI appellant namens het College meegedeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en is aan appellant gevraagd om vóór 24 oktober 2008 aan te geven wat de reden daarvan is. Tevens is daarbij meegedeeld dat indien niet op de brief wordt gereageerd het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Appellant heeft op deze brief niet gereageerd.

1.2. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2008 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is verzocht om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Niet is in geschil dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 juli 2008 eindigde op 12 augustus 2008.

4.2. Door appellant is in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat binnen die termijn, te weten op 11 augustus 2008, door zijn toenmalige gemachtigde een bezwaarschrift, gedateerd 10 augustus 2008, is afgegeven bij de balie van het Stadhuis van de gemeente Amsterdam (Stopera). Dit bezwaarschrift is toen voorzien van een stempel van de gemeente Amsterdam, maar niet van een stempel met ontvangstdatum. Volgens appellant moet, nu er onduidelijkheid is over de dag waarop de brief is afgegeven, de datum van dagtekening van de brief worden aangemerkt als datum van ontvangst. Tevens stelt appellant zich op het standpunt dat het College hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld hierover te worden gehoord, waartoe het College op grond van artikel 7:2 van de Awb is gehouden.

4.3. Het College heeft aangevoerd dat de DWI het op 10 augustus 2008 gedateerde bezwaarschrift niet destijds, maar pas na het besluit van 28 oktober 2008, heeft ontvangen. Volgens de gemachtigde van het College worden bij de Stopera ingediende bezwaarschriften altijd voorzien van een datumstempel en worden deze doorgestuurd naar de DWI. Dit is ook gebeurd met het bezwaarschrift van 10 september 2008 dat blijkens de stempels op de ontvangstbevestiging op 3 oktober 2008 bij de Stopera is binnengekomen en op 8 oktober 2008 bij de DWI. Verder is door het College aangevoerd dat in het bezwaarschrift van 10 september 2008 niet wordt gerefereerd aan een bezwaarschrift van 10 augustus 2008, dat het niet kunnen aantonen van de datum van afgifte van dat bezwaarschrift voor risico van appellant komt en dat terecht is afgezien van het horen van appellant omdat door appellant niet is gereageerd op de brief van 10 oktober 2008 waarin gevraagd werd naar de reden van termijnoverschrijding. Gelet hierop was het bezwaarschrift duidelijk te laat ingediend, was het bezwaar om die reden kennelijk niet-ontvankelijk en kon onder toepassing van artikel 7:3 Awb van het horen van appellant worden afgezien.

4.4. De Raad is met de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. Mede gelet op hetgeen door het College is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat niets er op wijst dat eerder bezwaar is gemaakt dan bij het bezwaarschrift van 10 september 2008.

De Raad volgt het College ook in zijn standpunt dat, nu appellant geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om een schriftelijke reactie te geven op de geconstateerde termijnoverschrijding, van het horen van appellant tijdens een hoorzitting kon worden afgezien.

Gelet op het wettelijk kader en bij afwezigheid van een reactie op de brief van 10 oktober 2008, kon het College zich op goede gronden op het standpunt stellen dat redelijkerwijs geen twijfel bestond aan de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Het vorenstaande impliceert dat de vordering om het College te veroordelen tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst de vordering om het College te veroordelen tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2009.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B.E. Giesen.

MM