Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
05-3605 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Door de Raad is een deskundige ingeschakeld. De bij appellante door deze deskundige geconstateerde beperkingen zijn in voldoende mate en op correcte wijze opgenomen in de FML van 8 januari 2009. Appellante moet met haar beperkingen in staat worden geacht de haar voorgehouden functies, die beschouwd dienen te worden als voorbeeldfuncties, te vervullen. Ook wat betreft de urenbeperking dient te worden geconstateerd dat er voldoende geduide functies zijn die blijven beneden de voor appellante te hanteren maximale urengrens. Dit wordt niet anders door het feit dat één van de geduide functies is afgevallen omdat daarbij wel die grens werd overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3605 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appelante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2005, 03/3869 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlagen een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 27 juli 2005 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes van 9 augustus 2005.

Bij brief van 22 augustus 2007 heeft appellante een rapport van de neuropsycholoog dr. A.H. van Zomeren van 31 mei 2007 overgelegd, die appellante op 3 april 2007 heeft onderzocht.

De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft daar op 18 september 2007 haar reactie op gegeven.

Bij brief van 8 november 2007 is een rapport van de neuroloog J. de Graaf van 30 oktober 2007 aan de Raad toegestuurd, die appellante op 25 oktober 2007 heeft onderzocht.

De bezwaarverzekeringsarts Koek en de neuroloog De Graaf hebben vervolgens op 20 november 2007, respectievelijk 14 december 2007 over en weer gereageerd.

Nadat de zaak ter zitting van 16 januari 2008 was behandeld, heeft de Raad het onderzoek heropend. Op verzoek van de Raad heeft vervolgens de neuroloog

R.S.H.M. Beijersbergen appellante op 16 juni 2008 onderzocht en een rapport, gedateerd 6 oktober 2008, uitgebracht.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 12 november 2008 zijn standpunt kenbaar gemaakt op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Koek gedateerd 5 november 2008.

De neuroloog Beijersbergen heeft desgevraagd eveneens gereageerd op die rapportage in zijn rapport van 28 november 2008.

Vervolgens hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige bij rapportages van 8 december 2008 en 8 januari 2009, respectievelijk 14 januari 2009 gereageerd en hebben zij een op 8 januari 2009 aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) overgelegd met bijbehorende arbeidsmogelijkhedenlijst van 14 januari 2009.

Genoemde bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige hebben op 10 februari 2009, respectievelijk 17 februari 2009 hun standpunt nader uiteengezet naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van appellante gedateerd 19 januari 2009.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft desgevraagd op 23 februari 2009 nogmaals een reactie gegeven.

Desgevraagd heeft de deskundige, neuroloog Beijersbergen, op 27 februari 2009 zijn nadere reactie - met name ten aanzien van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 november 2008 en de FML van 8 januari 2009 - toegestuurd.

De gemachtigde van appellante heeft de Raad zijn opmerkingen bij brieven van 23 maart 2009 en 28 mei 2009 doen toekomen.

Het laatste commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Koek, gedateerd 23 juni 2009, is ontvangen bij brief van het Uwv van 24 juni 2009.

Bij brief van 1 juli 2009 heeft het Uwv nog een nadere reactie van de bezwaararbeidskundige J.G. Grothe, gedateerd 30 juni 2009, doen toekomen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 9 september 2009 waar appellante is verschenen met haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als architect/projectleider voor 38 uren per week. In september 1999 is zij met haar fiets tegen een opengaande autodeur gereden en heeft zij als gevolg daarvan diverse klachten ontwikkeld die destijds zijn aangemerkt als een whiplashsyndroom. Met ingang van 8 september 2000 is appellante een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 17 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit tot herziening per 1 maart 2003 van haar WAO-uitkering omdat zij arbeidsongeschikt wordt geacht naar een mate van 65 tot 80%, ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, evenwel tevens - naast bepalingen over proceskosten en griffierecht - onder bepaling dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat, zodat in de aangevallen uitspraak ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het geschil heeft zich uiteindelijk toegespitst op de vraag of de bij appellante door de neuroloog Beijersbergen geconstateerde beperkingen in voldoende mate en op correcte wijze zijn opgenomen in de FML van 8 januari 2009.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De reactie van de deskundige, neuroloog Beijersbergen, van 27 februari 2009 houdt in dat naar zijn mening in de FML onvoldoende tot uitdrukking komt dat appellante sterk is beperkt bij werken onder tijdsdruk en niet kan voldoen aan een dwingend werktempo.

4.2. Gelet op de beschikbare gegevens constateert de Raad dat niet is gebleken dat uiteindelijk de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. In dit geval is geen sprake van een zogeheten “verstopte” beperking. De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat door de deskundige geobjectiveerde beperkingen zijn vastgesteld waarmee de bezwaarverzekeringsarts geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden.

4.3. De vraag of de desbetreffende beperkingen in een geval als dit alleen tot uitdrukking kunnen worden gebracht bij aspect 1.7 van de FML beantwoordt de Raad ontkennend. In dit verband merkt de Raad op dat de FML slechts een hulpmiddel is om te komen tot een inventarisatie van de bestaande beperkingen die van belang zijn bij de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid en bezien moet worden in relatie tot de rapportage(s) die aan de FML ten grondslag zijn gelegd. De Raad wijst hierbij naar zijn uitspraak van 26 september 2008, LJN BF3251. De door de gemachtigde van appellante aangehaalde werkinstructie CBBS is een aanvulling op de gebruikershandleiding CBBS waarin informatie is gegeven over het CBBS en uiteen is gezet hoe met het CBBS (en alle onderdelen en aspecten daarvan) moet worden omgegaan. Van het bestaan van een voorschrift in de werkinstructie - wat daar overigens van zij - dat in een situatie als thans aan de orde de desbetreffende beperkingen enkel bij aspect 1.7 van de FML tot uitdrukking kunnen en dienen te worden gebracht, heeft appellante de Raad niet kunnen overtuigen. De Raad ziet geen aanleiding om de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts Koek dat de werkinstructie is gevolgd bij het opstellen en aanpassen van de FML voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is de FML van 8 januari 2009 gelet op de voor appellante hier relevant te achten beperkingen zo volledig mogelijk en op correcte wijze ingevuld.

4.4. Naar het oordeel van de Raad kan op basis van de nadere reacties van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige worden geconcludeerd dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is uitgegaan van functies die blijven binnen de voor haar geldende belastbaarheidsgrenzen. De passendheid van de functies is thans toereikend gemotiveerd. Naar het oordeel van de Raad is in de beschikbare arbeidskundige rapportages in voldoende mate toegelicht waarom appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies, die beschouwd dienen te worden als voorbeeldfuncties, te vervullen. Ook wat betreft de urenbeperking dient te worden geconstateerd dat er voldoende geduide functies zijn die blijven beneden de voor appellante te hanteren maximale urengrens. Dit wordt niet anders door het feit dat één van de geduide functies is afgevallen omdat daarbij wel die grens werd overschreden. Het Uwv is zich dan ook terecht op het standpunt blijven stellen dat appellante per 1 maart 2003, de datum in geding, een WAO-uitkering toekwam berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Hetgeen van de kant van appellante is aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De Raad ziet, gelet op hetgeen is aangevoerd, aanleiding om het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven over te nemen, zij het onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in de overwegingen 4.2, 4.3 en 4.4 is vermeld en derhalve wat dit betreft met wijziging van de gronden uit de aangevallen uitspraak. De Raad komt dan ook tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

4.6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep ten bedrage van € 644, -- voor verleende rechtsbijstand en € 1.910,-- voor kosten van de door appellante ingeschakelde neuroloog J. de Graaf.

4.7. Tevens ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 2.554,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR