Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08-6138 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang meer bij het beroep met betrekking tot het niet tijdig beslissen op het verzoek van 2 januari 2008, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aangezien inmiddels een beslissing op dat verzoek was genomen en niet is gesteld dat schade is geleden door de trage besluitvorming, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant in dit opzicht geen procesbelang meer heeft. Het College heeft bij de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 op goede gronden het verzoek van appellant om een hogere bijstandsnorm vast te stellen, afgewezen, op de grond dat hij daartoe niet bevoegd is. De bevoegdheid om de bijstandsnorm in zijn algemeenheid te verhogen komt uitsluitend aan de wetgever toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6138 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2008, 08/3349 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2. Bij brief van 2 januari 2008, gericht aan een medewerker van de directiestaf van het College, heeft appellant, voor zover hier van belang, verzocht om de voor hem geldende bijstandsnorm te verhogen. Daarbij gaat het hem, zoals hij nader heeft toegelicht, niet om toekenning van bijzondere bijstand, maar om verhoging van de norm in algemene zin, omdat hij die te laag vindt. Bij brief van 31 januari 2008 heeft een medewerker van het Klachten Dienstencentrum van de Dienst Werk en Inkomen bericht dat een verhoging van de bijstandsnorm niet mogelijk is.

1.3. Bij uitspraak van 3 juni 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank), naar aanleiding van een beroep van appellant, geconcludeerd dat het uitblijven van een besluit op appellants verzoek gelijk is te stellen met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en om die reden het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan het College ter verdere behandeling als bezwaarschrift en voorts het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Bij de, ter uitvoering van voormelde uitspraak van de rechtbank genomen, beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 heeft het College geoordeeld dat geen verhoging van de norm zal plaatsvinden, omdat het College niet bevoegd is om de normen te verhogen. Voorts is het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat inmiddels op het verzoek is gereageerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ten aanzien van het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ten aanzien van de beslissing op het verzoek van 2 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2008. Aangezien tegen die uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend, is de in die uitspraak aan het College gegeven opdracht om het beroepschrift van 18 april 2008 als bezwaarschrift in behandeling te nemen tegen het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen op het verzoek om verhoging van de bijstandsnorm bindend te achten.

4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het beroep met betrekking tot het niet tijdig beslissen op het verzoek van 2 januari 2008, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aangezien inmiddels een beslissing op dat verzoek was genomen en niet is gesteld dat schade is geleden door de trage besluitvorming, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant in dit opzicht geen procesbelang meer heeft.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat het College bij de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 op goede gronden het verzoek van appellant om een hogere bijstandsnorm vast te stellen, heeft afgewezen, op de grond dat hij daartoe niet bevoegd is. De bevoegdheid om de bijstandsnorm in zijn algemeenheid te verhogen komt uitsluitend aan de wetgever toe. De rechtbank heeft het beroep tegen dit onderdeel van de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2008 dan ook terecht ongegrond verklaard.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

MM