Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK1008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
09-2001 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Door rechtbank deskundige ingeschakeld. Naar aanleiding van rapport van deze deskundige is FML aangepast. De belasting van de geselecteerde functies gaat de belastbaarheid van appellante, zoals verwoord in de aangescherpte FML van 1 december 2008, niet te boven en appellante moet in staat worden geacht deze functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2001 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2009, 06/2421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als cateringmedewerkster, is op 23 januari 2004 uitgevallen met nier- en vermoeidheidsklachten. Zij was al bekend met status HIV-positief, later bleek dat er ook sprake was van psychische klachten.

1.2. Op 12 december 2005 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts. Deze constateerde geen duidelijke afwijkingen, maar stelde wel een aantal beperkingen vast, welke hij neerlegde in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van informatie van de behandelend sector heeft deze verzekeringsarts om energetische redenen tevens een urenbeperking aangenomen van gemiddeld ongeveer 20 uur per week en gemiddeld ongeveer zes uur per dag. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige drie functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 8 februari 2006 is appellante met ingang van 20 januari 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.

1.3. In de bezwaarfase is appellante op 12 mei 2006 tijdens de hoorzitting gezien door bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar. Mede op basis van nadere informatie van de behandelend sector constateerde deze, dat sprake is van respectievelijk een nierontsteking, bloedarmoede en problemen met de bijnierschors, alsmede dat appellante HIV-positief is, maar dat geen sprake is van ernstige psychiatrische verschijnselen. Zij concludeerde dat, naast de reeds vastgestelde urenbeperking, tevens beperkingen ten aanzien van de duurbelasting dienen te worden aangenomen. In verband hiermee heeft zij de eerder vastgestelde FML aangepast. Hiervan uitgaande concludeerde bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind dat appellante ongeschikt is voor de geselecteerde functies, maar dat zij wel geschikt is voor drie andere functies en dat dit een mate van arbeidsongeschiktheid oplevert van 35 tot 45% [lees: 35 tot 80%]. Bij het bestreden besluit van 13 juli 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2006 gegrond verklaard. Hierbij is aangegeven dat appellante met ingang van 20 januari 2006 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt [lees: 35 tot 80%] wordt beschouwd.

2.1. In het kader van de beroepsprocedure heeft het Uwv een besluit op bezwaar van 10 oktober 2006 afgegeven, waarbij het besluit van 8 februari 2006 is ingetrokken en is vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 20 januari 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering. De rechtbank heeft zenuwarts C.J.F. Kemperman benoemd tot deskundige. Deze heeft op 8 oktober 2008 een rapport uitgebracht, nader aangevuld bij brief van 12 november 2008. Hieruit komt naar voren dat sprake is van respectievelijk PTSS, een depressie, recidiverend en fluctuerend qua ernst en een persoonlijkheidsstoornis bij een vrouw bekend met HIV, en dat ten onrechte geen beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 1 december 2008 de eerder vastgestelde en nadien aangepaste FML in overeenstemming gebracht met de door de deskundige aangegeven nadere beperkingen. Bezwaararbeidsdeskundige W. Th. Pompe heeft in zijn rapporten van respectievelijk 9 januari 2009, 14 januari 2009 en 4 februari 2009 de uit de Resultaten functiebeoordeling naar voren komende signaleringen en de door appellante gestelde overschrijdingen van de belastbaarheid ten aanzien van een aantal andere aspecten, toegelicht.

2.2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de besluiten van 13 juli 2006 en 10 oktober 2006 vernietigd. Hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. In dit kader heeft de rechtbank – kort samengevat en voor zover thans van belang – het volgende overwogen. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige te volgen. De rechtbank heeft in dit geval onvoldoende aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat het Uwv de door de deskundige aangegeven nadere beperkingen in de FML van 1 december 2008 niet goed tot uitdrukking heeft gebracht. Verder is de rechtbank van oordeel dat de door het Uwv gegeven toelichting met betrekking tot de signaleringen en de vermeende overschrijdingen van de belastbaarheid, toereikend moet worden geacht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante, zoals verwoord in de aangescherpte FML van 1 december 2008, niet te boven gaat en dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat een nadere urenbeperking dient te worden aangenomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ongeschikt is voor de geselecteerde functies. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante verwezen naar informatie van respectievelijk psychiater G. Casteelen van 19 mei 2006, huisarts M.D. Souprayen van 28 april 2008 en internist-infectioloog P. Reiss van 22 mei 2008. Verder heeft zij een rapport ingebracht van verzekeringsarts mr. W.M. van der Boog van 26 augustus 2009.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad verstaat het hoger beroep als gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zijn gebleven.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. In dit kader heeft de Raad overwogen dat de deskundige alle beschikbare medische informatie, waaronder die van psychiater Casteelen en huisarts Souprayen, destijds reeds bij zijn beoordeling heeft betrokken, behalve genoemde informatie van internist-infectioloog Reiss en het rapport van verzekeringsarts Van der Boog. Met betrekking tot de informatie van internist-infectioloog Reiss overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 6 februari 2009 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze informatie haar geen aanleiding geeft tot wijziging van haar standpunt. Deze informatie werpt geen nieuw licht op de medische situatie van appellante op de datum in geding. Ten aanzien van het rapport van verzekeringsarts Van der Boog heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 1 september 2009 eveneens voldoende gemotiveerd aangegeven waarom aan dit rapport niet het gewicht kan worden gehecht dat appellante daaraan gehecht wenst te zien.

5. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM