Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08-4500 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de in geding zijnde periode niet woonachtig was op het door hem opgegeven woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4500 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2008, 07/1712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.O. Sohansingh, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sohansingh. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving vanaf 10 november 2000 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft aan het College opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres] te [plaatsnaam].

1.3. Op grond van bij het College gerezen twijfels over de woonsituatie van appellant heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben op 25 en 26 september 2006 huisbezoeken plaatsgevonden op het adres [adres]. Appellant werd aldaar niet aangetroffen, maar een aantal op dat adres aanwezige personen hebben verklaringen afgelegd. Daarna is appellant opgeroepen te verschijnen bij de dienst Werk en Inkomen op 27 september 2006. Appellant is verschenen en aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden door twee medewerkers van deze dienst, [D.] en [d. V.], op het adres van een vriendin van appellant, [adres 2] te [plaatsnaam]. Appellant heeft tijdens dit huisbezoek een verklaring afgelegd en vervolgens heeft dezelfde dag nogmaals een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres], tijdens welk bezoek appellant wederom een verklaring heeft afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 oktober 2006. Dit rapport is vervolgens doorgezonden naar de sociale recherche, die een nader onderzoek heeft ingesteld, waarvan de resultaten zijn opgetekend in een rapport van 7 mei 2007.

1.4. De onderzoeksresultaten van de Afdeling Controle en Opsporing zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 10 november 2006 de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 25 september 2006.

1.5. Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2006 ongegrond verklaard. Als grondslag voor de intrekking van de bijstand is schending van de inlichtingenplicht vermeld, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode van de intrekking van bijstand tot en met de datum van het primaire besluit indien het College geen einddatum bij de intrekking heeft genoemd. Aangezien de bijstand van appellant wegens werkhervatting reeds was ingetrokken met ingang van 9 oktober 2006 ligt thans ter beoordeling voor de periode van 25 september 2006 tot 9 oktober 2006.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.3. De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de in geding zijnde periode niet woonachtig was op het door hem opgegeven woonadres. De Raad wijst hiertoe allereerst naar de bevindingen van de op 25 en 26 september 2006 afgelegde huisbezoeken. Hieruit blijkt dat in de woning, die bestaat uit een woonkamer en twee slaapkamers, in ieder geval andere personen wonen en dat volgens één van hen appellant er niet slaapt. Voorts heeft appellant tijdens het huisbezoek op 27 september 2006 op het adres [adres 2] onder meer verklaard dat hij niet op het adres [adres] woont en heeft hij deze verklaring herhaald tijdens een eveneens op 27 september 2006 afgelegd huisbezoek op het adres [adres]. Uit een door de sociaal rechercheur J.P. Rozemeijer opgemaakt proces-verbaal van 17 april 2007 blijkt dat appellant zijn verklaring op het adres [adres 2] heeft afgelegd in aanwezigheid van H. Kaur, die zo nodig heeft vertaald en de verklaring heeft doorgelezen, waarna appellant deze heeft ondertekend. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen.

4.4. Bovengenoemde feiten, in onderlinge samenhang bezien, maken het naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres aan de [adres] te [plaatsnaam] woonde.

4.5. Het voorgaande betekent dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.6. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand met ingang van 25 september 2006. Het College heeft gehandeld in overstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

MM