Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
08-4222 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in dit geval echter geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante, geheel in stand te laten. De rechtbank heeft kennelijk beoogd zelf in de zaak te voorzien. Aan het primaire besluit is echter uitsluitend artikel 19 van de ZW ten grondslag gelegd. Toepassing van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW op grond waarvan door het Uwv een maatregel als bedoeld in het Maatregelenbesluit kan worden opgelegd, heeft het Uwv tot nu toe achterwege gelaten. Afstemming van een eventuele maatregel op de mate van verwijtbaarheid en de eventuele aanwezigheid van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien heeft niet plaatsgehad. Het is evenwel primair aan het Uwv om uitvoering te geven aan het bepaalde bij of krachtens de ZW. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in een geval als hier aan de orde feitelijk een maatregel op te leggen. De Raad wijst in dit verband ook naar zijn uitspraak van 30 september 2003, LJN AN9986. Vernietiging uitspraak. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009, 340

Uitspraak

08/4222 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2008, 07/2072 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 augustus 2009 heeft appellante nadere informatie naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Appellante is verschenen bij haar advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich per 25 september 2006, toen zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld en aan haar is met ingang van die datum ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het Uwv deze uitkering beëindigd, omdat appellante met ingang van 10 oktober 2006 hersteld is te achten.

1.2. Bij besluit van 28 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006, niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. In de aangevallen uitspraak is het daartegen gerichte beroep van appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens is - naast bepalingen over proceskosten en griffierecht - bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2. Appellante heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar per 10 oktober 2006 ten onrechte geschikt heeft geacht om haar arbeid te verrichten. Daarbij heeft zij er op gewezen dat de uitnodiging van 26 april 2007 om op het spreekuur van de verzekeringsarts op 1 mei 2007 te verschijnen in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan haar gemachtigde is verstuurd.

De aangevallen uitspraak moet volgens haar worden vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 26 oktober 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in dit geval echter geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante, geheel in stand te laten.

3.3. De Raad acht ook geen termen aanwezig om in dit geval - zoals de rechtbank kennelijk heeft beoogd - onder toepassing van het vierde lid van genoemd artikel 8:72 zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.4. De Raad stelt vast dat in de aangevallen uitspraak is overwogen dat het Uwv, nu appellante zonder bericht niet is verschenen op het spreekuur van 1 mei 2007, niet heeft voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 28, eerste lid, van de ZW. Vervolgens is geoordeeld dat het Uwv om die reden bevoegd was op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW ziekengeld te weigeren en daarbij is door de rechtbank impliciet uitgegaan van een gehele en blijvende weigering van het ziekengeld. Aan het primaire besluit is echter uitsluitend artikel 19 van de ZW ten grondslag gelegd. Toepassing van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW op grond waarvan door het Uwv een maatregel als bedoeld in het Maatregelenbesluit kan worden opgelegd, heeft het Uwv tot nu toe achterwege gelaten. Afstemming van een eventuele maatregel op de mate van verwijtbaarheid en de eventuele aanwezigheid van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien heeft niet plaatsgehad. Het is evenwel primair aan het Uwv om uitvoering te geven aan het bepaalde bij of krachtens de ZW. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in een geval als hier aan de orde feitelijk een maatregel op te leggen. De Raad wijst in dit verband ook naar zijn uitspraak van 30 september 2003, LJN AN9986

3.5. Uit hetgeen onder 3.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. De Raad zal het Uwv tevens opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen in welk verband tevens aandacht kan worden geschonken aan de grief van appellante dat in strijd met artikel 6:17 van de Awb is gehandeld.

3.6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2006, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR