Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
07-6875 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer ZW-uitkering, omdat betrokkene niet meer wegens ziekte ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In het onderhavige geval moet als “zijn arbeid” worden aangemerkt elk van de functies die aan betrokkene zijn voorgehouden bij het besluit waarbij hem de uitkering ingevolge de Wet WIA is geweigerd. Het besluit tot weigering van de WIA-uitkering is met de uitspraak van de Raad in zaaknummer 07/5145 (LJN BK0978) vernietigd. Mitsdien kan in het kader van de beoordeling van de aanspraken van betrokkene op een uitkering ingevolge de ZW als maatstafarbeid niet worden uitgegaan van de functies die aan betrokkene in het kader van de Wet WIA zijn voorgehouden. Dat betekent dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat de rechtbank dat besluit, zij het op andere gronden, terecht heeft vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6875 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 november 2007, 07/1314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer van 19 augustus 2008 overgelegd en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding tussen partijen bij de Raad bekend onder nr. 07/5145, plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T. Wielinga. Namens betrokkene is mr. Koekkoek verschenen.

Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 26 juni 2009 heeft appellant vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens wederom gevoegd met het geding 07/5145, plaatsgevonden op 9 september 2009, waar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen als op de zitting van 22 april 2009. Ter afdoening zijn de gedingen vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest als onderhoudsschilder. Op 3 februari 2004 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van 21 februari 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 november 2006, heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 31 januari 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het daartegen door betrokkene ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 19 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden in zaak 07/5145 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 juli 2007, alsmede het besluit van 16 november 2006, vernietigd.

1.2. Op 22 december 2006 heeft betrokkene zich opnieuw vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de WW ontving, ziek gemeld in verband met knie- en schouderklachten. Na onderzoek door verzekeringsarts J.M. Lebbing-Wielings op

7 februari 2007 heeft appellant bij besluit van dezelfde datum aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 12 februari 2007 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij per genoemde datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 18 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Zwemer, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, onder bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in het kader van de beoordeling ingevolge de Wet WIA is gebaseerd op de functies vleeswarenmaker (sbc-code 271070), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) en productiemedewerker metaal (sbc-code 111171), maar dat de functies (inpakker en productiemedewerker machinaal inpakker), waarvoor betrokkene in het kader van de ZW-procedure door de bezwaarverzekeringsarts geschikt is geacht, weliswaar in het kader van de beoordeling ingevolge de Wet WIA aan betrokkene zijn voorgehouden, maar niet aan de schatting ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank achtte het standpunt van appellant dat niet de afschatfuncties, maar dat alle geduide functies in het kader van de ZW-beoordeling van belang zijn onjuist en vernietigde het bestreden besluit daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 september 2004, LJN AR3720, aangevoerd dat het in het kader van de ZW voldoende is dat betrokkene voor ten minste één van de functies geschikt is waarvoor hij in het kader van de beoordeling ingevolge de Wet WIA geschikt wordt geacht en dat dit niet een functie behoeft te zijn die aan het berekenen van de resterende verdiencapaciteit ten grondslag heeft gelegen.

4.2. Betrokkene onderschrijft het oordeel van de rechtbank en heeft voorts gesteld dat hij om medische en arbeidskundige redenen niet geschikt is voor de drie functies die niet aan de schatting ingevolge de Wet WIA ten grondslag hebben gelegen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

Deze concretisering in het kader van de Wet WIA betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht. Gelet hierop dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is. In het onderhavige geval moet als “zijn arbeid” worden aangemerkt elk van de functies die aan appellant zijn voorgehouden bij het besluit waarbij hem de uitkering ingevolge de Wet WIA is geweigerd. Onder verwijzing naar zijn onder 4.1 vermelde uitspraak is de Raad van oordeel dat dit niet beperkt is tot de functies die aan de berekening van de resterende verdiencapaciteit ten grondslag hebben gelegen, maar ziet op alle functies die betrokkene in het kader van de beoordeling ingevolge de Wet WIA zijn voorgehouden.

5.2. Hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant in zoverre slaagt.

5.3. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad beoordelen of appellant terecht de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 12 februari 2007 heeft beëindigd. In dat kader stelt de Raad vast dat het besluit tot weigering van de uitkering ingevolge de Wet WIA per 31 januari 2006 met de uitspraak van de Raad van heden in zaaknummer 07/5145 is vernietigd. Mitsdien kan in het kader van de beoordeling van de aanspraken van betrokkene op een uitkering ingevolge de ZW als maatstafarbeid niet worden uitgegaan van de functies die aan betrokkene in het kader van de Wet WIA zijn voorgehouden. Dat betekent dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat de rechtbank dat besluit, zij het op andere gronden, terecht heeft vernietigd.

5.4. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal bevestigen, zij het op andere gronden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan op artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR