Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
09-1816 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Afwijzing hernieuwde aanvraag WAO-uitkering.Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de voorhanden gegevens, waarin niet met objectieve medische informatie is onderbouwd dat betrokkene vanaf de periode februari/maart 2001 meer beperkt is dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven, geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het Uwv niet op de medische rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft mogen afgaan. Naar het oordeel van de Raad kan daaruit weliswaar worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts heeft bevestigd dat in genoemde periode een tijdelijke toename van klachten kan worden geobjectiveerd, maar niet dat er sprake was van toegenomen beperkingen. Naar aanleiding van de grief van betrokkene dat het verzekeringsgeneeskundig protocol “angststoornissen” ten onrechte niet is toegepast,overweegt de Raad dat, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2008, nr. 232) van dit protocol eerst met ingang van 1 oktober 2007 gebruik wordt gemaakt. Dit protocol was derhalve ten tijde in geding nog niet van toepassing, zodat een beroep daarop betrokkene niet kan baten. Wat betreft het door appellant aangegeven ontstaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode eind 2003/begin 2004 overweegt de Raad dat deze periode is gelegen buiten de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO, die in dit geval is aangevangen op 1 januari 1998, zodat om die reden geen toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1816 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [Betrokkene], (hierna: betrokkene) gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 26 februari 2009, 06/653 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een aanvullend gedingstuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Namens appellanten is mr. Martens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In 1987 is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1995 werkte betrokkene vanuit een thuissituatie op provisiebasis voor [naam bedrijf] als vermogensbeheerder. In verband met toegenomen inkomsten heeft het Uwv bij besluit van 7 april 1998 de aan betrokkene toegekende uitkering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, per 1 januari 1998 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.

1.2. Op 24 februari 2005 heeft betrokkene bij het Uwv een aanvraag ingediend tot hervatting van zijn WAO-uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO afwijzend op deze aanvraag beslist, omdat het moment waarop de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid - door betrokkene gesteld op eind 2003- niet gelegen is binnen vijf jaar na de datum van intrekking van de uitkering, zodat aan hem na vier weken arbeidsongeschiktheid geen uitkering kon worden toegekend.

1.3. Bij besluit van 16 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 september 2005 gegrond verklaard, omdat onvoldoende dossierstukken aanwezig waren om inhoudelijk op het bezwaar te kunnen beslissen. Nadat betrokkene tegen het bestreden besluit 1 beroep had ingesteld, heeft het Uwv dat besluit vervolgens bij een nieuw besluit op bezwaar van 16 mei 2006 (hierna: bestreden besluit 2) ingetrokken, omdat alsnog inhoudelijk op het bezwaar zou worden beslist. Bij besluit van 28 november 2007 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 september 2005, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan van 13 augustus 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard, met toekenning van vergoeding van griffierecht en van proceskosten. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ongegrond verklaard.

3. Namens betrokkene is hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond heeft verklaard. Onder verwijzing naar hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd, is namens betrokkene gesteld dat zijn medische klachten in de periode februari/maart 2001, dan wel eind 2003/begin 2004 zijn toegenomen en dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, alsmede dat het verzekeringsgeneeskundig protocol ”angststoornissen” niet is toegepast.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot de verwijzing naar de gronden die namens betrokkene reeds in bezwaar en beroep zijn aangevoerd, onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de voorhanden gegevens, waarin niet met objectieve medische informatie is onderbouwd dat betrokkene vanaf de periode februari/maart 2001 meer beperkt is dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven, geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het Uwv niet op de medische rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts heeft mogen afgaan. Naar het oordeel van de Raad kan daaruit weliswaar worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts heeft bevestigd dat in genoemde periode een tijdelijke toename van klachten kan worden geobjectiveerd, maar niet dat er sprake was van toegenomen beperkingen. In dat verband wijst de Raad erop dat appellant zijn werkzaamheden als vermogensbeheerder vanuit een thuissituatie tot eind 2003 heeft voortgezet en daaruit inkomsten heeft ontvangen. In de in hoger beroep namens betrokkene overgelegde gegevens van de huisarts M.E. Leijnse van 28 mei 2009 ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen, nu deze geen ander licht werpen op de medische situatie van betrokkene ten tijde in geding en de informatie omtrent de medicatie van betrokkene bij het Uwv reeds eerder bekend was en bij de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts is meegewogen.

4.2. Naar aanleiding van de grief van betrokkene dat het verzekeringsgeneeskundig protocol “angststoornissen” ten onrechte niet is toegepast,overweegt de Raad dat, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2008, nr. 232) van dit protocol eerst met ingang van 1 oktober 2007 gebruik wordt gemaakt. Dit protocol was derhalve ten tijde in geding nog niet van toepassing, zodat een beroep daarop betrokkene niet kan baten.

4.3. De grief van betrokkene dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, kan gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen evenmin slagen.

4.4. Wat betreft het door appellant aangegeven ontstaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode eind 2003/begin 2004 overweegt de Raad dat deze periode is gelegen buiten de vijfjaarstermijn van artikel 43a van de WAO, die in dit geval is aangevangen op 1 januari 1998, zodat om die reden geen toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering mogelijk is.

4.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR